ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ2630
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid indicatie AWBZ-zorg voor jeugdigen 18-23 jaar tussen CIZ en BJZ
Eiser, een jeugdige van 18-23 jaar, kreeg van verweerder (CIZ) een indicatiebesluit voor AWBZ-zorg. Verweerder verklaarde later niet bevoegd te zijn en stelde dat BJZ het bevoegde orgaan is voor indicaties bij voortgezette jeugdzorg. BJZ voegde zich als derde belanghebbende en ondersteunde dit standpunt.
De rechtbank bekeek de wettelijke bepalingen en wetsgeschiedenis, met name artikel 9a en 9b van de AWBZ en de Wet op de jeugdzorg (WJZ). Hieruit volgt dat BJZ bevoegd is voor indicaties die verband houden met psychiatrische, gedrags- of psychosociale problemen bij jeugdigen die voortzetting van jeugdzorg nodig hebben. Verweerder is bevoegd voor andere vormen van zorg.
Gezien de medische rapporten over eisers stoornissen concludeerde de rechtbank dat de indicatie door verweerder onrechtmatig was. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Verweerder werd opgedragen de aanvraag aan BJZ door te sturen. Tevens werden proceskosten aan eiser toegekend.
De uitspraak bevestigt de scheiding van bevoegdheden tussen CIZ en BJZ bij indicaties voor AWBZ-zorg aan jeugdigen met complexe zorgvragen en benadrukt het belang van juiste indicatieverlening binnen de wettelijke kaders.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van 15 maart 2012 vernietigd en het primaire besluit van 6 oktober 2011 herroepen; de aanvraag wordt doorverwezen naar BJZ.