ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ2945
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging gezamenlijk gezag en omgangsregeling bij internationale kinderontvoering
De moeder is in 2010 met de minderjarige kinderen naar Israël verhuisd, waarna de vader een verzoek tot teruggeleiding indiende op grond van het Haagse Kinderontvoeringsverdrag. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om over dit verzoek te oordelen, omdat alleen de rechter van de staat waar het kind zich bevindt bevoegd is.
De rechtbank oordeelt wel bevoegd te zijn om te beslissen over het gezag op grond van artikel 12 lid 3 van Pro Verordening Brussel II bis, omdat de vader de Nederlandse rechtsmacht ondubbelzinnig heeft aanvaard en de kinderen een nauwe band met Nederland hebben. De moeder krijgt het eenhoofdig gezag toegewezen vanwege het verstoorde vertrouwen tussen ouders, het belang van continuïteit voor de kinderen in Israël en de beperkte betrokkenheid van de vader.
Er wordt een informatieregeling en een contactregeling via Skype vastgesteld waarbij de kinderen wekelijks contact hebben met de vader. Verzoeken van de vader tot hoofdverblijf en omgangsregeling in Israël worden afgewezen. De rechtbank wijst ook af een dwangsom op te leggen bij niet-nakoming van de omgangs- en informatieregeling.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot teruggeleiding af, kent het eenhoofdig gezag toe aan de moeder en stelt een contact- en informatieregeling vast.