ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5142
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering onmiddellijke invrijheidstelling wegens geen te lange voorlopige hechtenis
Eiser is veroordeeld in twee strafzaken: zaak I (opiumwetfeiten) en zaak II (medeplegen poging tot zware mishandeling). Hij heeft in beide zaken voorlopige hechtenis ondergaan. In zaak I werd hij veroordeeld tot bijna vijf jaar gevangenisstraf, in zaak II tot vier jaar na vermindering. Eiser verzocht om kwijtschelding van het restant van zijn straf in zaak I, stellende dat hij te lang in voorlopige hechtenis had gezeten in zaak II.
De rechtbank overweegt dat het arrest in zaak II niet onherroepelijk is en dat niet kan worden vastgesteld dat eiser te lang in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Er bestaat geen wettelijke grondslag voor verrekening van voorlopige hechtenis tussen verschillende strafzaken. Bovendien is het aan de strafrechter om tot verrekening te besluiten, niet aan het openbaar ministerie of de civiele rechter.
Het gratieverzoek van eiser is afgewezen en deze beslissing is onherroepelijk. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een flagrant onjuiste beslissing of schending van het EVRM die schorsing van de strafuitvoering rechtvaardigt. De vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling wordt dan ook afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot onmiddellijke invrijheidstelling wordt afgewezen omdat niet is vastgesteld dat eiser te lang in voorlopige hechtenis heeft gezeten.