ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5172
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie wegens niet-nakoming inspanningsverplichting
Eiser verbleef in strafrechtelijke detentie en werd aansluitend in vreemdelingenbewaring gesteld. Eiser stelde dat verweerder zijn inspanningsverplichting om tijdig tot uitzetting over te gaan niet is nagekomen, waardoor hij onrechtmatig in bewaring bleef. Verweerder voerde aan dat hij pas vanaf de bekendheid met de einddatum van de detentie verplicht was tot uitzettingshandelingen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder al eerder, namelijk vanaf 16 januari 2013, had moeten starten met uitzettingshandelingen, omdat beide betrokken overheden tot hetzelfde ministerie behoren en verweerder op of omstreeks 31 december 2012 op de hoogte had moeten zijn van de situatie. Verweerder heeft echter pas op 19 februari 2013 met uitzettingshandelingen begonnen, waardoor eiser onnodig lang in bewaring bleef.
De rechtbank achtte het belang van de bewaring niet in redelijke verhouding tot het ernstige gebrek van het niet-nakomen van de inspanningsverplichting. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de bewaring onrechtmatig bevonden en werd verweerder veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van €880,- aan eiser. Tevens werden proceskosten van €944,- aan eiser toegekend.
De uitspraak benadrukt het belang van tijdige communicatie en inspanning door de overheid om onnodige vrijheidsbeneming van vreemdelingen na strafrechtelijke detentie te voorkomen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was en kent een schadevergoeding van €880,- toe aan eiser.