ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5825

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
C/09/434937 JE RK 13-100
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:254 BWartikel 1, onder f, Wet op de jeugdzorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Den Haag heeft op 12 maart 2013 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de periode van één jaar, van 19 maart 2013 tot 19 maart 2014. De minderjarige verblijft feitelijk bij de moeder, die het ouderlijk gezag samen met de vader uitoefent. De vader stemde in met de verlenging, hoewel hij bezwaar maakte tegen de invulling van de omgangsregeling.

De ondertoezichtstelling was eerder vastgesteld op 19 maart 2012 vanwege een ontwikkelingsbedreiging die onvoldoende was opgeheven. De moeder, die Asperger heeft, biedt structuur en veiligheid, maar de minderjarige heeft nog steeds problemen met emoties, sociale contacten en een trage taalontwikkeling. De omgangsregeling tussen vader en kind verloopt moeizaam en wordt begeleid door Bureau Jeugdzorg.

De rechtbank oordeelde dat de gronden voor ondertoezichtstelling volgens artikel 1:254 lid 1 BW Pro nog steeds aanwezig zijn en verlenging noodzakelijk is. Bureau Jeugdzorg zal een schriftelijke aanwijzing geven over zorg- en opvoedingstaken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 19 maart 2014.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Kinderrechter
Rekestnummer: JR RK 13-100
Zaaknummer : C/09/434937
Datum beschikking: 12 maart 2013
Verlenging ondertoezichtstelling
Beschikking op het op 11 januari 2013 ingekomen verzoekschrift van:
de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, vestiging Zuid-Holland Midden
(verder: Bureau Jeugdzorg),
met betrekking tot de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [datum] 2010 te ’s-Gravenhage,
kind van:
[belanghebbende],
de moeder,
wonende te [adres 1],
en erkend door:
[belanghebbende 2],
de vader,
wonende te [adres 2],
die gezamenlijke het ouderlijke gezag uitoefenen.
De minderjarige verblijft feitelijk bij de moeder.
Procedure
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- het faxbericht d.d. 11 maart 2013, met bijlagen, van mr. [advocaat vader], advocaat van de vader.
Op 12 maart 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld.
Hierbij zijn verschenen:
mevrouw T. Mook namens Bureau Jeugdzorg;
de vader, bijgestaan door mr. [advocaat vader];
de pleegvader van de vader, de heer [pleegvader].
Feiten
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 19 maart 2012 de minderjarige onder toezicht gesteld van 19 maart 2012 tot 19 maart 2013.
Verzoek
Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar.
De grond voor het verzoek is, aldus Bureau Jeugdzorg, gelegen in de omstandigheid dat de ontwikkelingsbedreiging onvoldoende is opgeheven. Er zijn nog zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige. Hoewel de moeder, die Asperger heeft, haar best doet en de minderjarige in het algemeen voldoende structuur en veiligheid kan bieden, heeft de minderjarige niet altijd een passend voorbeeld als het over emoties en sociale contacten gaat en blijkt ook de taalontwikkeling van de minderjarige langzaam te zijn.
De omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige is voorts nog in opbouw en de vader en de moeder zijn onvoldoende in staat gebleken om zelfstandig afspraken te maken, op een manier die realiseerbaar is en ook in het belang van de minderjarige.
De vader heeft ingestemd met het verzochte, althans heeft zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.
Beoordeling
De moeder is conform de wettelijke vereisten opgeroepen, doch niet verschenen.
[advocaat vader] heeft namens de vader meegedeeld dat de vader het eens is met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, maar niet met de invulling van de omgangsregeling. De rechtbank heeft bij beschikking d.d. 1 augustus 2012 een omgangsregeling vastgesteld, maar de realisering van deze omgangsregeling verloopt, aldus gesteld, moeizaam. Dit heeft met name te maken met de uitgebreide begeleiding die van de zijde van Bureau Jeugdzorg moet worden geboden.
Van de zijde van Bureau Jeugdzorg is ter terechtzitting beaamd dat de omgangsregeling met stappen wordt opgebouwd, met daarbij de benodigde opvoedondersteuning.
De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht.
De kinderrechter deelt voorts – ten overvloede - mee dat in de beschikking van deze rechtbank d.d. 1 augustus 2012 een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is vastgelegd.
Indien Bureau Jeugdzorg vindt dat deze regeling slechts onder restricties kan worden toegepast, dient zij zulks in een schriftelijke aanwijzing vast te leggen.
De belanghebbenden kunnen vervolgens, indien zij het met die aanwijzing niet eens zijn, hun bezwaren aan de rechter voorleggen.
Van de zijde van Bureau Jeugdzorg is ter terechtzitting toegezegd dat er een aanwijzing betreffende de zorg- en opvoedingstaken op papier zal worden gezet.
In casu zal als volgt worden beslist.
Beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige van 19 maart 2013 tot 19 maart 2014 met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. van Steen, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2013, in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte
als griffier.
Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te
Den Haag.