ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5914
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- T. van Rij
- M.A. Dirks
- I. Obbink-Reijngoud
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslagen en boetes in project Bank Zonder Naam
In deze zaak gaat het om navorderingsaanslagen inkomsten- en vermogensbelasting over de jaren 1995, 1996 en 2002, opgelegd aan eiser vanwege het niet opgeven van een buitenlandse bankrekening bij Van Lanschot Bankiers Luxemburg (VLB). Verweerder heeft deze aanslagen opgelegd met verhogingen en een vergrijpboete van 100%. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze aanslagen en boetes.
De rechtbank heeft onderzocht of de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd en of verweerder voortvarend is geweest bij het opleggen ervan. Uit de renseignementen, verkregen via Belgische autoriteiten, blijkt dat eiser houder was van een buitenlandse rekening met aanzienlijke saldi die niet in de belastingaangiften zijn vermeld. De rechtbank oordeelt dat de bewijslast omgekeerd is en dat verweerder een redelijke schatting heeft gemaakt van het niet opgegeven vermogen en inkomen.
De rechtbank acht de verhogingen en vergrijpboete passend en geboden, gelet op het opzet van eiser om vermogen buiten het zicht van de fiscus te houden. Wel is een vermindering van de verhoging over 1996 en de boete over 2002 toegekend wegens ambtshalve correcties. De redelijke termijn is niet overschreden, zodat geen immateriële schadevergoeding wordt toegekend. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen en boetes worden deels gegrond verklaard met verminderingen, en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.