ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5944
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid intrekking verblijfsvergunning op grond van aangescherpt artikel 3.86 Vreemdelingenbesluit 2000
Eiser, een Guinese nationaliteit dragende vreemdeling die sinds twaalf jaar in Nederland verblijft, betwist de intrekking van zijn verblijfsvergunning en het opgelegde inreisverbod van tien jaar. Hij stelt dat de aanscherping van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 in strijd is met het proportionaliteitsvereiste en zijn rechtszekerheid schaadt. Tevens beroept hij zich op artikel 8 EVRM Pro, met het argument dat hij in Nederland geworteld is en niet kan terugkeren naar Guinee.
De rechtbank overweegt dat de aanscherping van het openbare ordebeleid een bewuste beleidskeuze is, mede ingegeven door een motie van de Tweede Kamer en een kabinetsprioriteit om overlast door veelplegers tegen te gaan. De verlaging van de vereiste strafmaat voor intrekking van de verblijfsvergunning is niet disproportioneel en houdt rekening met verblijfsduur en rechtszekerheid.
Voorts oordeelt de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een substantieel privéleven in Nederland dat bescherming verdient onder artikel 8 EVRM Pro. Zijn langdurig verblijf van twaalf jaar is onvoldoende om schending van dit recht aan te nemen, mede gelet op jurisprudentie die circa dertig jaar verblijf vereist. Ook is geen reëel risico op schending van mensenrechten bij terugkeer naar Guinee gesteld.
De rechtbank constateert dat het inreisverbod niet is bestreden en dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor verlenging van de verblijfsvergunning. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.