ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6266

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 februari 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
AWB 13/4624
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vw 2000Kadzoev-arrest HvJEU 30 november 2009
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing vreemdelingenbewaring wegens onrechtmatigheid na belangenafweging

Eiser werd op 17 juni 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld, met een onderbreking voor strafuitzetting, en opnieuw in bewaring genomen op 31 januari 2013. De rechtbank beoordeelde het eerste beroep tegen deze laatste maatregel. Verweerder handhaafde niet langer de grond dat eiser verdachte of veroordeelde was van een misdrijf, maar stelde dat andere gronden voor bewaring wel aanwezig waren. De rechtbank oordeelde dat deze gronden voldoende waren om bewaring te dragen, mede gelet op het gebrek aan medewerking van eiser bij het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit.

De rechtbank constateerde dat er nog zicht was op uitzetting, aangezien eiser op 27 september 2012 was gepresenteerd bij de Marokkaanse autoriteiten en het onderzoek naar zijn identiteit voortduurde. De medische klachten van eiser en de duur van de detentie (ruim acht maanden) werden meegewogen in de belangenafweging. De strafrechtelijke antecedenten van eiser konden op grond van het Kadzoev-arrest niet worden meegewogen.

Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat de belangenafweging thans in redelijkheid in het voordeel van eiser uitviel en dat de voortzetting van de bewaring onrechtmatig was. Daarom werd de bewaring met onmiddellijke ingang opgeheven. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, en verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid na belangenafweging, schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 13/4624
V-nummer: [nummer]
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 28 februari 2013 in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedatum] 1975, van Marokkaanse nationaliteit, eiser,
gemachtigde: F.W. Verbaas, advocaat te Alkmaar
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
verweerder,
gemachtigde: mr. J.A.M. van der Klis, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2013. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig
M. Essebai, als tolk in de Arabische taal.
Met inachtneming van artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat partijen binnen één week na verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep kunnen instellen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt dat de bewaring met ingang van heden wordt opgeheven. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. De rechtbank veroordeelt verweerder als in het ongelijk gestelde partij in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 944,-- als kosten van verleende rechtsbijstand, te betalen aan eiser.
Motivering
1. Eiser is op 17 juni 2012 in bewaring gesteld. De maatregel is op 25 januari 2013 opgeheven voor zes dagen in verband met de aansluitende tenuitvoerlegging van een straf die eiser moest uitzitten. Eiser is aansluitend op het uitzitten van deze straf op 31 januari 2013 wederom in bewaring gesteld. De rechtbank merkt het onderhavige beroep aan als een eerste beroep tegen de bewaringsmaatregel van 31 januari 2013.
2. Ter zitting heeft verweerder aangegeven, dat de grond dat eiser verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld, niet langer wordt gehandhaafd. De overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden zijn niet betwist. Er zijn dan ook voldoende gronden om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Gelet op de gronden en het overwogene in het verlengingsbesluit van 11 december 2012 behoefde verweerder dan ook geen toepassing te geven aan een lichter middel. Verweerder meent dat de verzwaarde belangenafweging ondanks de totale detentieduur nog niet in eisers voordeel behoeft uit te vallen. Verweerder heeft oog voor de medische klachten van eiser, maar meent dat de omstandigheid dat eiser zelf niets onderneemt om zijn verwijdering te bespoedigen en daarnaast zijn criminele antecedenten zwaarder dienen te wegen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat de criminele antecedenten geen grond voor bewaring kunnen vormen, niet meebrengt dat deze niet in de belangenafweging kunnen worden meegewogen.
3. De rechtbank constateert dat niet in geschil is dat de resterende gronden de maatregel van bewaring kunnen rechtvaardigen.
4. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan eiser stelt, er nog steeds sprake is van zicht op uitzetting. Eiser is op 27 september 2012 gepresenteerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Het onderzoek loopt nog niet zodanig lang dat gelet op de presentatiedatum geen zicht op uitzetting meer bestaat. De rechtbank verwijst voorts naar haar uitspraak op het verlengingsberoep in de voorafgaande bewaring van 23 januari 2013 (AWB13/286). Daarin is onder meer overwogen dat eiser onvoldoende meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Er bestaat thans geen aanleiding daar anders over te oordelen.
5. Gelet op de gronden waarop de bewaring rust en eisers gebrek aan medewerking heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden een lichter middel achterwege gelaten.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat de omstandigheid dat het onderzoek naar eisers mogelijke detentieongeschiktheid nog niet is afgerond, niet leidt tot het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Niet in geschil is dat de aanvraag daartoe pas compleet was op 30 januari 2013. Het lag op de weg van eiser om een volledige aanvraag in te dienen. Dat het onderzoek daarna op 8 februari 2013 in gang is gezet en nog niet tot een beslissing heeft geleid, acht de rechtbank onvoldoende om een voortvarendheidsgebrek aan te nemen. De rechtbank betrekt daarbij dat op 25 januari 2013 een negatief BMA-advies in de artikel 64 procedure Pro is uitgebracht en voorts dat zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht de afhandeling thans wordt vertraagd door vakantie van de te raadplegen behandelend psychiater.
7. Eiser zit inmiddels ruim acht maanden in detentie, gerekend met inbegrip van de voorafgaand aansluitende vreemdelingenbewaring en strafdetentie. De rechtbank is gezien de duur van de detentie en eisers medische/psychische klachten van oordeel dat de belangenafweging thans in redelijkheid in eisers voordeel dient uit te vallen. De strafrechtelijke antecedenten die verweerder aanvoert, zijn niet gerelateerd aan de gronden voor inbewaringstelling. Nu deze antecedenten op grond van het Kadzoev-arrest (HvJEU 30 november 2009, LJN BK5471) geen grond kunnen vormen voor het opleggen of verlengen van de bewaring, kunnen deze naar het oordeel van de rechtbank evenmin ten nadele van eiser meewegen bij de ten aanzien van de voortduring van de bewaring te verrichten belangenafweging.
Nu eiser niet zijn actieve en volledige medewerking heeft verleend aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, mocht de bewaring tot heden voortduren. Omdat de maatregel met ingang van heden onrechtmatig wordt geacht, is er geen aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
mr. S.T.A. Sukul mr. A.J. Dondorp
griffier rechter
afschrift verzonden op:
Conc.: SS
Coll: WGC
D: B
VK
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.