ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6938
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inbewaringstelling vreemdeling in belang openbare orde
De vreemdeling werd op 3 maart 2013 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000, omdat hij zich onttrok aan toezicht en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. De verbalisant had een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, ondanks het tonen van een geldig W-document, omdat dit verblijf een tijdelijk karakter heeft.
De vreemdeling voerde aan dat de staandehouding onrechtmatig was, dat hij niet adequaat werd bijgestaan door een raadsman en dat hij in het Engels werd gehoord terwijl hij deze taal onvoldoende beheerst. De rechtbank oordeelde dat de verbalisant terecht de verblijfsstatus controleerde, het recht op rechtsbijstand niet was geschonden omdat de vreemdeling voorafgaand aan het gehoor afzag van bijstand, en dat het proces-verbaal juist was opgesteld zonder communicatieproblemen.
De rechtbank verwierp de stelling dat het dossier tegenstrijdigheden bevatte over de duur van de ophouding en concludeerde dat de ophouding binnen de wettelijke termijn was beëindigd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de inbewaringstelling is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.