ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6969
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren vreemdelingenbewaring en verzwaarde belangenafweging
De vreemdeling, met Egyptische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van zijn vreemdelingenbewaring die op 18 december 2012 was opgelegd. Hij stelde dat de verzwaarde belangenafweging, die uiterlijk op 1 maart 2013 had moeten plaatsvinden vanwege zes maanden aansluitende bewaring en strafdetentie, pas op 7 maart 2013 schriftelijk was vastgelegd. Tevens voerde hij aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering binnen een redelijke termijn bestond.
De rechtbank overwoog dat reeds eerder was geoordeeld dat de bewaring rechtmatig was en dat nu alleen de rechtmatigheid van verdere voortzetting aan de orde was. De rechtbank nam het standpunt van verweerder over dat dagelijks een belangenafweging plaatsvindt en dat de schriftelijke vastlegging op 7 maart 2013 slechts een formaliteit was. De rechtbank achtte het in de rede liggen dat de verzwaarde belangenafweging kort voor of op het moment van zes maanden aansluitende bewaring en detentie wordt gemaakt.
Hoewel de belangenafweging formeel te laat schriftelijk was vastgelegd, concludeerde de rechtbank dat de vreemdeling hierdoor niet in zijn belangen was geschaad. Er was geen redelijk vooruitzicht op verwijdering, maar ook geen feiten of omstandigheden die de voortzetting van de bewaring onrechtmatig maakten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.