ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7050

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
AWB 12/27558
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 6:163 BWArt. 6:101 BWArt. 5 EVRMArt. 13 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens ontbreken vertrektermijn in terugkeerbesluit en volledige schadevergoeding toegekend

Eiser werd op 18 september 2011 in bewaring gesteld na een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn, wat onrechtmatig was. De rechtbank stelt vast dat de gehele periode van bewaring onrechtmatig was omdat eiser geen kans kreeg vrijwillig te vertrekken.

Verweerder bood slechts schadevergoeding aan voor 28 dagen met een matiging van 50%, wat de rechtbank onterecht acht. De rechtbank volgt jurisprudentie dat de geschonden norm mede strekt ter bescherming van de belangen van eiser en dat schadebeperking niet kan worden afgewenteld op eiser.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van €13.435,- schadevergoeding over de gehele bewaring en €944,- proceskosten. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de schadevergoeding betreft.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding van €13.435 en proceskosten van €944 wegens onrechtmatige bewaring zonder vertrektermijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12/27558
[persoonsnummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen
[naam eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1976, van Marokkaanse nationaliteit, eiser,
gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, rechtsopvolger van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,
verweerder,
gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Procesverloop
Op 18 september 2011 heeft verweerder een terugkeerbesluit aan eiser uitgereikt waarbij eiser is aangezegd dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 augustus 2012 gegrond verklaard.
Op 28 augustus 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen, waarin hij tevens heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2013. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1 Op 18 september 2011 is eiser, na uitreiking van het terugkeerbesluit, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld. Op 21 september 2011 is eiser geplaatst in een justitiële inrichting. Op 3 maart 2012 is de bewaring opgeheven ter effectuering van de uitzetting van eiser naar Marokko.
1.2 Bij besluit van 1 maart 2012 heeft verweerder het bezwaar tegen het terugkeerbesluit ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 24 april 2012 door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard (AWB 12/8096). De rechtbank heeft het besluit vernietigd verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak.
1.3 Bij besluit van 31 juli 2012 heeft verweerder het bezwaar tegen het terugkeerbesluit opnieuw ongegrond verklaard, welk besluit bij brief van 2 augustus 2012 is ingetrokken. Bij het bestreden besluit van 20 augustus 2012 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. Het terugkeerbesluit wordt onrechtmatig geacht voor zover aan eiser geen termijn voor vrijwillig vertrek is gegund. Aan eiser wordt een schadevergoeding toegekend over de eerste 28 dagen van zijn inbewaringstelling met een matiging van 50%.
Overwegingen
2.1 Niet in geschil is dat het terugkeerbesluit van 18 september 2011 onrechtmatig was, omdat er ten onrechte geen vertrektermijn was verleend. Partijen worden verdeeld gehouden over de hoogte van de schadevergoeding.
2.2 Verweerder heeft zich in zijn brief van 31 januari 2013 en ter zitting primair op het standpunt gesteld dat eiser op grond van het onrechtmatig terugkeerbesluit in bewaring is gesteld. De schadeplichtigheid van verweerder strekt zich niet verder uit dan de eerste 28 dagen waarin eiser in bewaring heeft verbleven, dat is gelijk aan de vertrektermijn die hem gegeven had moeten worden. Daarnaast bestaat er aanleiding de schadevergoeding te matigen met 50% wegens niet schadebeperkend handelen van eiser door niet actief en volledig mee te werken aan het terugkeerproces.
Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de schadevergoeding over de hele periode van bewaring gematigd moet worden met 50% wegens niet schadebeperkend handelen van eiser.
2.3 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat door het onrechtmatige terugkeerbesluit de gehele bewaring onrechtmatig was en dat verweerder eiser aldus dient te compenseren voor de gehele periode dat eiser in bewaring heeft verbleven. Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verweerder de schadevergoeding ten onrechte met 50% heeft gematigd.
3.1 De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, door de bestuursrechter zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Verweerder heeft in zijn brief van 31 januari 2013 een beroep gedaan op het relativiteitsvereiste uit artikel 6:163 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van dit relativiteitsvereiste bestaat geen verplichting tot schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.
3.2 De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak de geschonden norm, te weten het verlenen van een vertrektermijn, mede strekt ter bescherming van het belang van eiser om niet direct in bewaring gesteld te worden zonder dat hem eerst de kans wordt geboden vrijwillig het land te verlaten. Hieruit volgt dat, nu er geen vertrektermijn is gegeven, de gehele bewaring onrechtmatig was. Het standpunt van verweerder dat indien eiser wel een vertrektermijn zou zijn geboden en eiser vervolgens illegaal zou zijn aangetroffen er wel inbewaringstelling mogelijk zou zijn geweest, maakt dit oordeel niet anders. Er is immers geen vertrektermijn gegeven en niet kan worden beoordeeld of eiser daadwerkelijk vertrokken zou zijn of niet.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder jegens eiser schadeplichtig is over de gehele periode van inbewaringstelling.
4.1 Ten aanzien van de hoogte van de schadevergoeding oordeelt de rechtbank als volgt. De stelling van verweerder dat artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag het tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet van toepassing zou zijn omdat niet de vrijheidsontnemende maatregel maar het terugkeerbesluit als schadeveroorzakend besluit geldt, volgt de rechtbank niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 14 mei 2012, LJN: BW6197, immers geoordeeld dat, indien de bewaring reeds rechtmatig is bevonden, het terugkeerbesluit als schadeveroorzakend besluit geldt en voor de betreffende vreemdeling de mogelijkheid moet bestaan om de door hem geleden schade vergoed te krijgen. Een ander oordeel zou zich niet verhouden met artikelen 5 en 13 van het EVRM, aldus de Afdeling. Hieruit volgt dat de Afdeling artikel 5 van Pro EVRM ook van toepassing acht in een beroep tegen een terugkeerbesluit, indien het terugkeerbesluit als schadeveroorzakend besluit wordt aangemerkt voor de ten onrechte in bewaring doorgebrachte periode.
4.2.1 Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat er aanleiding bestaat de schadevergoeding te matigen wegens niet schadebeperkend handelen van eiser.
De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van
21 november 2008, LJN: BF5284, dat uit artikel 6:101 van Pro het BW volgt dat degene die door toedoen van een ander schade lijdt – in het kader van de vaststelling van de omvang van de schade – binnen redelijke grenzen gehouden is tot het nemen van maatregelen ter voorkoming of beperking van verdere schade. Voor de vraag wat in redelijkheid van de benadeelde mag worden verwacht, zijn de concrete omstandigheden van het geval veelal bepalend. Toetssteen van het handelen van de benadeelde is de houding die een redelijk mens in dezelfde omstandigheden in zijn eigen belang zou hebben aangenomen. Tot die omstandigheden kan ook de verwachting van een schadeloosstelling ten laste van de dader worden gerekend.
4.2.2 Hierbij is volgens de Hoge Raad van belang dat aan het gedrag van de benadeelde geen al te hoge eisen mogen worden gesteld en terughoudendheid bij de toerekening van een deel van de schade geboden is. Reden daarvoor is dat het de aansprakelijke persoon is geweest die door zijn onrechtmatig gedrag de benadeelde tot schadebeperkend handelen verplicht. Daarnaast wordt aangenomen dat wanneer zowel de aansprakelijke persoon als de benadeelde redelijkerwijs de mogelijkheid hebben schadebeperkende maatregelen te nemen, de aansprakelijke persoon die behoort te nemen. Stilzitten van de benadeelde kan dan niet tot vermindering van aansprakelijkheid leiden.
4.3 De stelling van verweerder dat indien eiser actief en volledig had meegewerkt aan het terugkeerproces de inbewaringstelling wellicht niet langer dan 28 dagen had hoeven duren, acht de rechtbank een onzekere gebeurtenis die op geen enkele manier is vast te stellen. Indien een vreemdeling een vertrektermijn van 28 dagen wordt verleend, is het aan de vreemdeling om daadwerkelijk het land te verlaten binnen de gegeven termijn. Bij inbewaringstelling van de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 is het aan verweerder om uitzettingshandelingen te verrichten en daarbij voldoende voortvarendheid te betrachten. De vreemdeling dient daarbij zijn volledige medewerking te verlenen aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Hieruit volgt dat tijdens de inbewaringstelling zowel verweerder als de vreemdeling redelijkerwijs de mogelijkheid hebben schadebeperkende maatregelen te nemen.
4.4 Gelet op hetgeen onder 4.2.2 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het in de onderhavige zaak aan verweerder als aansprakelijke persoon was om schadebeperkende maatregelen te nemen en kan het stilzitten van eiser niet tot vermindering van de schadevergoeding leiden. Er bestaat daarom geen aanleiding de hoogte van de schadevergoeding te matigen.
5. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding. De rechtbank zal op navolgende wijze zelf in de zaak voorzien.
De rechtbank bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser op grond van artikel 5 van Pro het EVRM een vergoeding toekent tot een bedrag van € 105,-- per dag dat eiser in een politiecel ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 80,-- per dag dat eiser in het huis van bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, in totaal € 13.435,--.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 472,-- en wegingsfactor 1) te betalen aan eiser.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de schade, groot € 13.435,-- (zegge: dertienduizend vierhonderdvijfendertig euro) aan eiser;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 944,-- (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2013.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Conc.: EM
Coll: JSu
D: B
VK
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.