ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7910
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.P. van Ham
- D.H. von Maltzahn
- A.M. Brakel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap wegens gebruik onjuiste persoonsgegevens bij naturalisatie
Verzoeker diende in 1999 een verzoek tot naturalisatie in met onjuiste persoonsgegevens, waarna hem bij Koninklijk Besluit het Nederlanderschap werd verleend. Later bleek dat de gebruikte identiteit niet correct was en dat verzoeker feitelijk een andere persoon is met andere geboortedatum en geboorteplaats. De rechtbank toetste aan de jurisprudentie van de Hoge Raad dat naturalisatiebesluiten met valse persoonsgegevens, indien genomen vóór 1 april 2003, geen rechtsgevolg hebben tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.
De rechtbank concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die verzoeker voldoende identificeerbaar maakten ondanks de onjuistheden. Hierdoor werd het naturalisatiebesluit nietig geacht ten aanzien van verzoeker, die daardoor nooit Nederlander is geworden. Ook zijn zoon, die het Nederlanderschap zou verkrijgen door medenaturalisatie, heeft dit niet verkregen omdat de moeder pas in 2005 genaturaliseerd werd en het besluit geen uitdrukkelijke medenaturalisatie bevatte.
Verzoeker voerde onder meer rechtsongelijkheid aan tussen naturalisatiebesluiten voor en na 1 april 2003, maar de rechtbank vond dit onderscheid gerechtvaardigd en volgde de bestaande rechtspraak. Ook het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen in het bezit van een Nederlands paspoort werd verworpen. De verzoeken tot vaststelling van het Nederlanderschap werden daarom afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap wordt afgewezen wegens gebruik van onjuiste persoonsgegevens bij naturalisatie.