ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ9591
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering doorlopende zekerheid vergunning opslag accijnsgoederenplaats
De zaak betreft een geschil over de hoogte en rechtmatigheid van de doorlopende zekerheid die eiseres moet stellen voor haar vergunning opslag in een accijnsgoederenplaats (agp). Verweerder had de zekerheid vastgesteld op 10% van het accijnsbelang, wat neerkwam op €2.290.000, later verlaagd naar €2.000.000. Eiseres betwistte dit en stelde dat de Nederlandse wetgeving en de hoogte van de zekerheid niet in overeenstemming zijn met Europese richtlijnen.
De rechtbank oordeelt dat artikel 56 van Pro de Wet op de accijns het stellen van zekerheid in alle gevallen toestaat, ook buiten de reikwijdte van de Europese Richtlijn 2008/118/EG. Hoewel eiseres stelt dat zij de accijnsgoederen niet fysiek voorhanden heeft, is er sprake van fictief voorhanden hebben, wat volgens de rechtbank voldoet aan de richtlijn. Verweerder heeft de noodzaak van de zekerheidstelling voldoende gemotiveerd vanwege het risico voor de Staat.
Wat betreft de hoogte van de zekerheid oordeelt de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom 10% passend is. De rechtbank stelt daarom het percentage vast op 5%, wat resulteert in een zekerheid van €1.000.000. Het beroep wordt gegrond verklaard, de beschikking verminderd en verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De doorlopende zekerheid wordt verminderd van 10% naar 5% van het accijnsbelang, vastgesteld op €1.000.000.