ECLI:NL:RBDHA:2013:CA0245
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onrechtmatige hinder door overwaaien onkruidzaden
Eiser, eigenaar van een perceel met heesterteelt, klaagde over overwaaien van onkruidzaden (wilgenroosje en kleine kruiskruid) vanaf het naastgelegen perceel van gedaagde, die daar rozen en sierplanten teelde. Eiser stelde dat gedaagde onvoldoende maatregelen had genomen om het onkruid te bestrijden, wat leidde tot schade door extra arbeid en misgelopen winst.
De rechtbank stelde vast dat er geen wettelijke plicht bestond voor gedaagde om het onkruid te bestrijden, anders dan voor distels onder de Distelverordening. De vraag was of onrechtmatige hinder bestond op grond van artikel 5:37 BW Pro. Hierbij werd gekeken naar aard, ernst, duur van de hinder en de belangenafweging tussen partijen.
De rechtbank oordeelde dat het natuurlijke proces van onkruidgroei en zaadverspreiding niet onrechtmatig is, zeker niet wanneer gedaagde wel maatregelen had getroffen. Het gewenste bestrijdingsniveau van eiser was niet maatgevend. Bovendien had eiser niet aangeboden om op kosten van hem een grondigere bestrijding te laten uitvoeren waarbij gedaagde zou meewerken.
Daarom werd geoordeeld dat geen sprake was van onrechtmatige hinder en werd de vordering van eiser afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten en gedaagde in de nakosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en oordeelt dat geen sprake is van onrechtmatige hinder door overwaaien van onkruidzaden.