ECLI:NL:RBDHA:2013:CA0364
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens schadelijke omgangsbeperking met dochter
Eiseres, afkomstig uit Thailand, had een verblijfsvergunning regulier onder de voorwaarde van gezinsleven met haar dochter. Na diverse procedures en een wijziging in de omgangsregeling, waarbij het contact met haar dochter sterk werd beperkt vanwege zorgen over het welzijn van het kind, trok verweerder de verblijfsvergunning in. De rechtbank oordeelde dat het feitelijke gezinsleven tussen eiseres en haar dochter sinds april 2011 vrijwel niet meer bestond, mede doordat de omgang als schadelijk werd beschouwd en beide ouders uit het ouderlijk gezag waren ontheven.
Eiseres voerde aan dat het besluit strijdig was met artikel 8 EVRM Pro en dat zij onder dwang Nederland had verlaten, maar de rechtbank verwierp deze gronden. De rechtbank stelde dat het biologische gezinsleven niet automatisch bescherming geniet onder artikel 8 EVRM Pro indien het contact feitelijk ontbreekt en schadelijk is voor het kind. Verweerder had een zorgvuldige belangenafweging gemaakt, waarbij het belang van het kind prevaleerde.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig was en dat het beroep ongegrond moest worden verklaard. Er werd geen aanleiding gezien tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter H.J. Bastin op 7 mei 2013.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning bevestigd.