ECLI:NL:RBDHA:2013:CA0556
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvragen en voorlopige voorziening wegens gebrek aan nieuw feiten en veranderde omstandigheden
Verzoekers hebben meerdere keren een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke steeds zijn afgewezen. De huidige procedure betreft beroepen tegen besluiten van 24 april 2013 waarin de aanvragen wederom zijn afgewezen en terugkeerbesluiten zijn opgenomen.
Verweerder stelde dat de voorzieningenrechter onbevoegd was om kennis te nemen van de gedingen, verwijzend naar jurisprudentie die stelt dat de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak exclusief bevoegd is bij verzoeken om voorlopige voorzieningen in procedures tegen feitelijke uitzetting. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat deze jurisprudentie niet van toepassing is op zaken zonder samenhang met feitelijke uitzetting, zoals deze zaak.
Verzoekers voerden nieuw gebleken feiten aan, waaronder mishandeling van familieleden in maart 2013 en een krantenartikel ter onderbouwing. De voorzieningenrechter twijfelde aan de authenticiteit van het artikel en oordeelde dat de verklaring van de vader niet objectief verifieerbaar was. De overige verklaringen waren onvoldoende onderbouwd en borduurden voort op eerder ongeloofwaardig geachte feiten.
Gelet op het ne bis in idem-beginsel en het ontbreken van aannemelijke nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, werd geen nieuwe toetsing van de besluiten gerechtvaardigd. Verzoekers maakten ook een beroep op artikel 3 EVRM Pro, maar konden geen reëel risico op een schending aannemelijk maken.
De voorzieningenrechter verklaarde de beroepen ongegrond en wees de verzoeken om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen.