ECLI:NL:RBDHA:2013:CA1695
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling en onderbreking vreemdelingrechtelijke bevoegdheden
De vreemdeling, van Algerijnse nationaliteit, maakte bezwaar tegen de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op 5 april 2013. Hij betoogde dat de staandehouding onrechtmatig was en dat de bewaring onterecht was opgelegd. De rechtbank oordeelde dat de staandehouding aanvankelijk vreemdelingrechtelijk was, maar daarna onderbroken werd door een strafrechtelijke aanhouding op verdenking van overtreding van artikel 197 Sr Pro. Hierdoor kon de rechtmatigheid van de staandehouding niet worden betrokken bij de beoordeling van de bewaring.
De rechtbank stelde vast dat de gronden voor bewaring, waaronder het niet naleven van vertrekplicht, het ontbreken van verblijfspapieren en het risico op ontduiking van toezicht, voldoende waren onderbouwd. Het feit dat de vreemdeling onderdak kon krijgen bij een kennis en dat eerdere uitzettingspogingen niet slaagden, maakte dit niet anders. Verweerder had bovendien een aanvraag tot afgifte van een laissez-passer gedaan, wat een redelijk vooruitzicht op verwijdering bood.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en dat een lichter middel niet volstond. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.