ECLI:NL:RBDHA:2013:CA1884
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Staat niet aansprakelijk voor tekortschietende behandeling en nazorg jeugdige in justitiële jeugdinrichtingen
De zaak betreft de vordering van een jongere die stelt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door hem onvoldoende behandeling en nazorg te bieden tijdens zijn verblijf in twee justitiële jeugdinrichtingen. De jongere verbleef eerst in Het Poortje, waar door capaciteitsproblemen geen adequate behandeling kon worden gegeven, en vervolgens in De Sprengen, waar wel behandeling plaatsvond.
De rechtbank oordeelt dat de Staat tekort is geschoten in de periode mei tot september 2001 in Het Poortje doordat een noodzakelijke behandelomgeving ontbrak en de behandeling niet tijdig werd voortgezet in een andere inrichting. Dit handelen was onrechtmatig, maar de vordering die daarop betrekking heeft is verjaard omdat de jongere en zijn ouders toen al bekend waren met de tekortkomingen.
Ten aanzien van De Sprengen stelt de rechtbank vast dat de geboden behandeling adequaat was en positieve resultaten opleverde. Ook is geen sprake van onrechtmatig handelen door het ontbreken van nazorg, aangezien er geen behoefte aan nazorg was en de Staat bereid was deze te bieden. De vorderingen van de jongere worden daarom afgewezen, maar de proceskosten worden gecompenseerd vanwege de bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: Vorderingen van eiser wegens onrechtmatig handelen door de Staat worden afgewezen wegens verjaring en onvoldoende bewijs van tekortschietende nazorg.