ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2198
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende onderbouwde verklaring en gebrek aan goede trouw
Verzoeker, die zijn franchiseovereenkomst eind 2011 beëindigde en begin 2012 zijn bedrijfsactiviteiten staakte, diende een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De onderneming leed sinds 2008 verliezen, oplopend tot €172.077,- in 2011, terwijl de bedrijfslasten niet waren teruggebracht.
Namens verzoeker werd eind 2011 een voorstel gedaan aan schuldeisers om 50% van de vorderingen te betalen, maar dit voorstel ontbrak aan onderbouwing en was niet aan alle schuldeisers gedaan. De rechtbank oordeelde dat er geen voldoende reële poging was gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.
Daarnaast was verzoeker onvoldoende te goeder trouw in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, mede omdat hij ondanks de verliezen doorging met zijn bedrijfsactiviteiten en de crediteurenpositie toenam. Ook had verzoeker een schuldeiser bevoordeeld door een vordering over te dragen, wat de gelijkheid van schuldeisers doorbrak.
De rechtbank concludeerde dat de verklaring van het college van burgemeester en wethouders niet voldoende was gemotiveerd en dat verzoeker niet voldeed aan de wettelijke vereisten, waardoor hij niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn verzoek.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende gemotiveerde verklaring en gebrek aan goede trouw.