ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2335

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
441451 - FA RK 13-3028
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wet BopzArt. 9 Wet BopzArt. 14a Wet BopzArt. 14c Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek nieuwe voorwaardelijke machtiging op grond van Wet Bopz

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de officier van justitie tot verlening van een nieuwe voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet Bopz. Betrokkene had eerder een voorwaardelijke machtiging gekregen die tot 25 april 2013 geldig was. De rechtbank stelde vast dat betrokkene een stoornis van de geestvermogens heeft die gevaar veroorzaakt voor zichzelf en anderen.

Uit de medische verklaringen en het verhoor bleek dat het gevaar zich voordoet, maar dat het niet voldoende is aangetoond dat dit gevaar alleen door een voorwaardelijke machtiging kan worden afgewend. Betrokkene is sinds 1 oktober 2011 onder voorwaarden met ontslag uit een psychiatrische inrichting en houdt zich sindsdien goed aan de afspraken.

De overgang van depotmedicatie naar orale medicatie is goed verlopen en betrokkene erkent het belang van medicatie-inname. De sociaal-psychiatrisch verpleegkundige gaf aan dat de ondersteuning ook vrijwillig kan worden geboden. Daarom concludeerde de rechtbank dat het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis en zonder voorwaardelijke machtiging kan worden afgewend en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot verlening van een nieuwe voorwaardelijke machtiging wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 13-3028
Zaaknummer: 441451
Datum beschikking: 28 mei 2013
P- nummer: 1038415
Nieuwe voorwaardelijke machtiging
Beschikking op het op 22 april 2013 ingekomen verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Den Haag met betrekking tot:
[de betrokkene]
de betrokkene,
geboren op [geboortedatum]
wonende te [adres],
advocaat: mr. J.C. van Zundert te Delft.
Procedure
Bij het verzoekschrift zijn de volgende stukken - voor zover van belang - overgelegd:
- een op 16 april 2013 ondertekende verklaring van R.P. van Dijk, psychiater, niet zijnde de behandelend psychiater van de betrokkene, welke verklaring inzicht verschaft in de actuele geestelijke gezondheidstoestand van de betrokkene;
- een door N.A.M. Ruigewaard, behandelaar van de betrokkene, en niet door betrokkene ondertekend behandelingsplan met als ingangsdatum 10 april 2013 - als bedoeld in artikel 14a, vijfde lid, van de Wet Bopz - alsmede de door behandelaar en betrokkene op 5 maart 2013 ondertekende voorwaarden, voor het verkrijgen van een voorwaardelijke machtiging, welke als ingelast in het behandelingsplan dienen te worden beschouwd, en die zijn aangehecht aan deze beschikking.
Bij beschikking van 22 mei 2012 heeft de rechtbank een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend uiterlijk tot en met 25 april 2013.
De rechtbank heeft op 14 mei 2013 geconstateerd dat betrokkene wegens ziekte verhinderd was ter zitting te verschijnen en heeft gelet hierop de behandeling van het verzoek aangehouden tot deze zitting. De advocaat van betrokkene en de spv-er de heer Smits zijn op 14 mei 2013 wel verschenen.
De rechtbank heeft de betrokkene op 28 mei 2013 gehoord. De betrokkene werd bijgestaan
door zijn advocaat.
De rechtbank heeft zich in aanwezigheid van de betrokkene en zijn advocaat laten voorlichten door de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige de heer Smits.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot het verlenen van een nieuwe voorwaardelijke machtiging.
De betrokkene voert verweer, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.
Beoordeling
Op het verzoek zijn van toepassing de artikelen 8, 9, 14a en 14c van de Wet Bopz.
De rechtbank stelt voorop dat de verzochte machtiging slechts mag worden verleend wanneer een stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken, en het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis, niet zijnde een zwakzinnigeninrichting of een verpleeginrichting, slechts door het stellen en naleven van voorwaarden kan worden afgewend.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de geneeskundige verklaring en het verhoor voldoende vast staat dat bij betrokkene, ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging, sprake is van een stoornis van de geestvermogens als bedoeld in de Wet Bopz.
De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de inhoud van overgelegde stukken en verklaringen van de gehoorde personen is gebleken dat het hiervoor bedoelde gevaar zich voordoet. De betrokkene levert door zijn ziekte een gevaar op voor zichzelf en een of meer anderen.
De rechtbank is ten slotte van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis, niet zijnde een zwakzinnigeninrichting of een verpleeginrichting, slechts door het stellen en naleven van voorwaarden kan worden afgewend.
De rechtbank overweegt dat in het behandelplan staat vermeld dat betrokkene sinds 1 oktober 2012 onder voorwaarden met ontslag is gegaan, nadat hij een jaar opgenomen is geweest in GGZ Duin- en Bollenstreek te Voorhout. Betrokkene en de spv-er hebben ter zitting desgevraagd verklaard dat dit niet juist is. Vast staat dat betrokkene reeds sinds 1 oktober 2011 onder voorwaarden met ontslag is. Sindsdien - derhalve sinds anderhalf jaar - houdt betrokkene zich goed aan de afspraken. In december 2012 is betrokkene op eigen verzoek overgestapt van depotmedicatie op tabletten Risperdal. De spv-er heeft aangegeven dat betrokkene zijn medicatie conform de aanwijzingen inneemt en dat de overgang van depot naar oraal goed is verlopen. Ter zitting heeft betrokkene aangegeven dat hij beseft dat het van groot belang is dat hij zijn medicatie blijft innemen, omdat hij niet weer in de situatie wil komen die twee-en-een-half jaar geleden heeft geleid tot detentie. De spv-er heeft ter zitting aangegeven dat de ondersteuning die betrokkene thans krijgt, ook kan worden geboden in het vrijwillig kader. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het gevaar kan worden afgewend buiten een psychiatrisch ziekenhuis en zonder voorwaardelijke machtiging. De rechtbank zal het verzoek derhalve afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
weigert de verzochte machtiging.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, bijgestaan door J.A. van Soest als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2013.