ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3440

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
09/753613-12, Kenmerk RK: 13/1491
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 182 SvArt. 316 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van bezwaar tegen afwijzing getuigenverzoek na aanvang onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank Den Haag behandelde het bezwaar van verdachte tegen een beslissing van de rechter-commissaris van 9 april 2013, waarin een verzoek tot het horen van drie getuigen werd afgewezen. Dit bezwaar werd ingediend nadat het onderzoek ter terechtzitting was begonnen, waardoor het bezwaar als bedoeld in artikel 182, zesde lid, Sv niet ontvankelijk kon worden verklaard.

De rechtbank overwoog dat de zesde afdeling van de Derde Titel Sv uitsluitend betrekking heeft op het vooronderzoek en niet van toepassing is op het onderzoek ter terechtzitting, zoals bevestigd in artikel 316 Sv Pro. Wel kunnen onderzoekswensen die na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in het kader van een half-open verwijzing door de rechter-commissaris zijn afgewezen, opnieuw aan de zittingsrechters worden voorgelegd.

De verdachte deed op 7 mei 2013 schriftelijk afstand van zijn recht om gehoord te worden. De rechtbank concludeerde dat de verdachte niet ontvankelijk is in zijn bezwaar en wees het bezwaar af. De beschikking is op 14 mei 2013 uitgesproken door de raadkamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Verdachte wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen de afwijzing van het getuigenverzoek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Sector strafrecht
Parketnummer: 09/753613-12
Kenmerk RK: 13/1491
Beschikking van de rechtbank Den Haag, raadkamer in strafzaken, op het bezwaar tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 9 april 2013, betreffende de afwijzing van het verzoek tot het horen van een drietal getuigen, ex artikel 182 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [datum] 1991 te [plaats],
wonende aan de [adres],
blijkens een daarvan opgemaakte akte op 22 april 2013 ter griffie van deze rechtbank ingediend.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.
De rechtbank heeft op 7 mei 2013 dit bezwaar in raadkamer behandeld.
Verdachte heeft op 7 mei 2013 schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om gehoord te worden.
De raadsvrouw van verdachte, mr. M.T. Wernsen advocaat te Den Haag, is wel in raadkamer verschenen.
Beoordeling van het bezwaar.
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte in zijn bezwaar kan worden ontvangen.
De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd dat de verdachte ontvangen kan worden in zijn bezwaar.
De raadsvrouw heeft in raadkamer naar voren gebracht dat zij een notitie ten aanzien van het beleid van de rechtbank heeft ontvangen aangaande de Wet versterking positie rechter-commissaris en de Wet herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken. In deze notitie staat enkel vermeld dat er zo veel mogelijk open terugverwijzingen zullen volgen. Nergens wordt vermeld dat na de terugverwijzing een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 182 Sv Pro niet meer mogelijk is. Tevens heeft de raadsvrouw bepleit dat zij de toetsing door de rechtbank mist, indien de rechtbank het bezwaar niet in behandeling neemt.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op 1 februari 2013 heeft bij de meervoudige strafkamer van deze rechtbank een eerste (pro forma) behandeling van onderhavige strafzaak plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst en de stukken in handen van de rechter-commissaris gesteld “ten einde te beslissen op de verzoeken van de verdediging tot het horen van de getuigen en aan toegewezen verzoeken uitvoering te geven, alsmede voorts al datgene te doen dat de rechter-commissaris naar aanleiding van het strafdossier en naar aanleiding van eventuele nadere onderzoekswensen wenselijk voorkomt.” Er is derhalve sprake van een zogenaamde half-open verwijzing als bedoeld in artikel 316 Sv Pro.
Het bezwaarschrift richt zich tegen een beslissing van de rechter-commissaris van 9 april 2013, aldus nadat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen. Een en ander maakt dat er voor een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 182, zesde lid, Sv geen ruimte meer is, aangezien de zesde afdeling van de Derde Titel Sv uitsluitend betrekking heeft op het vooronderzoek. In artikel 316 Sv Pro is de zesde afdeling niet van overeenkomstige toepassing verklaard.
Dit neemt niet weg dat onderzoekswensen die na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in het kader van een half-open verwijzing door de rechter-commissaris zijn afgewezen, zoals in het onderhavige geval aan de orde is, opnieuw kunnen worden voorgelegd aan de zittingsrechters. Laatstgenoemden zullen in dat geval in het licht van de (on)volledigheid van het reeds verrichte (voor)onderzoek de noodzakelijkheid van die onderzoekswensen moeten beoordelen (zie ook Rechtbank Rotterdam, 24 april 2013, LJN BZ9514).
De verdachte zal in zijn bezwaar daarom niet kunnen worden ontvangen.
Beslissing.
Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn bezwaar.
Aldus beslist te Den Haag door mr. H.A.G. Nijman, voorzitter, mrs. D.A. Schreuder en
J. de Ridder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Sepmeijer-Kovacevic, griffier, en uitgesproken ter zitting van 14 mei 2013.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.