ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3574
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering tot schorsing tenuitvoerlegging Noorse gevangenisstraf wegens misbruik procesrecht
Eiser is in Noorwegen veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar en zes maanden, welke straf op zijn verzoek in Nederland wordt uitgevoerd op grond van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. Eerder heeft eiser in kort geding verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van deze straf, welke vordering bij vonnis van 19 november 2012 is afgewezen.
Eiser heeft vervolgens hoger beroep ingesteld en daarnaast opnieuw een kort geding aangespannen met dezelfde strekking, stellende dat het Noorse vonnis onrechtmatig is en dat er nieuwe feiten zijn die tot schorsing zouden moeten leiden. De Staat voert aan dat dit misbruik van procesrecht betreft omdat dezelfde gronden reeds zijn beoordeeld en afgewezen, en dat nieuwe feiten niet zijn gesteld die na het eerdere kort geding zijn ontstaan.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen vereist dat eiser zijn grieven in hoger beroep behandelt en niet via een nieuw kort geding dezelfde zaak opnieuw aanhangig maakt. De feiten en omstandigheden die eiser aanvoert waren reeds bekend bij het eerdere kort geding, en nieuwe feiten die na dat kort geding zijn ontstaan zijn niet aannemelijk gemaakt. Daarom wordt eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen en veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de Noorse gevangenisstraf wegens misbruik van procesrecht.