ECLI:NL:RBDHA:2014:10423
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid en voorlopige voorziening bij inreisverbod en verblijfsvergunning
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de staatssecretaris waarin een inreisverbod van tien jaar werd opgelegd en een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier humanitair niet-tijdelijk werd afgewezen. De rechtbank stelde ambtshalve de vraag aan de orde of zij bevoegd was om kennis te nemen van het beroep, gezien het feit dat het inreisverbod niet via een zelfstandige beschikking was opgelegd en het beroep daarom niet ontvankelijk was.
De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was en stuurde het beroepschrift door als bezwaarschrift. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, waarmee verweerder werd verboden eiser uit te zetten totdat vier weken na de beslissing op bezwaar waren verstreken. De belangenafweging wees uit dat het nadeel voor eiser bij uitzetting onomkeerbaar was, terwijl verweerder geen zwaarwegend nadeel aannemelijk had gemaakt.
Verder werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser, omdat de rechtsmiddelenclausule in het bestreden besluit onjuist was en eiser niet kan worden verweten dat hij beroep instelde tegen het inreisverbod. De rechtbank verwees naar de strafrechtelijke gevolgen van het inreisverbod die buiten haar bevoegdheid vallen en door het Openbaar Ministerie en de strafrechter moeten worden beoordeeld.
Uitkomst: Het beroep tegen het gecombineerde besluit is niet-ontvankelijk verklaard, het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.