ECLI:NL:RBDHA:2014:11224
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.H.I.J. Hage
- D.H. von Maltzahn
- J. Brandt
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vaststelling Nederlanderschap minderjarige wegens onvoldoende identiteit
Verzoekster, als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter, verzocht de rechtbank te verklaren dat haar dochter van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen, aangezien zij is geboren uit een Nederlandse moeder in het buitenland.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) betwistte de ontvankelijkheid van het verzoek en stelde dat niet kon worden vastgesteld dat verzoekster de juridische moeder is en dat de identiteit van het kind niet vaststaat. De officier van justitie sloot zich hierbij aan.
De rechtbank beoordeelde de overgelegde stukken, waaronder een Iraanse geboorteverklaring, een Afghaans paspoort met gewijzigde naam, een visum en een DNA-rapport dat de biologische moederrelatie bevestigde. De rechtbank oordeelde echter dat deze documenten onvoldoende waren om de identiteit van het kind vast te stellen, mede door ontbrekende of niet-gelegaliseerde documenten en inconsistenties in naam en geboortedata.
Hoewel het DNA-rapport bevestigde dat verzoekster de moeder is van een meisje dat het Nederlanderschap zou hebben verkregen, kon de identiteit van dat meisje niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Daarom werd het verzoek afgewezen, ondanks dat verzoekster ontvankelijk was in haar verzoek.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige is afgewezen wegens onvoldoende vaststelling van haar identiteit.