ECLI:NL:RBDHA:2014:11272

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 september 2014
Publicatiedatum
10 september 2014
Zaaknummer
C-09-472523
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:261 BWWet op de jeugdzorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling minderjarige kinderen na vertrek gezin naar Marokko

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van vier minderjarige kinderen van een Marokkaans gezin dat plotseling naar Marokko vertrok. Er waren ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen, mede vanwege vermoedens dat de vader een jihadstrijder zou zijn en dat een kind in Brussel mishandeld werd en getraind zou worden.

De ouders verbleven op het moment van de zitting in Marokko en waren niet aanwezig. Zij voerden verweer dat zij uit paniek en onveiligheidsgevoelens waren vertrokken en wilden terugkeren naar Nederland, maar vreesden directe uithuisplaatsing van hun kinderen. De Raad achtte het noodzakelijk de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen vanwege de risico’s, maar vond een machtiging tot uithuisplaatsing op dat moment niet passend.

De kinderrechter besloot de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen van 9 september tot 4 december 2014 en wees het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing af. De behandeling van het verzoek werd aangehouden tot een zitting in november 2014, waarbij nader onderzoek en rapportage door de Raad werd verzocht. De beslissing was mede gebaseerd op het ontbreken van voldoende gronden voor uithuisplaatsing en de bereidheid van de ouders tot medewerking bij terugkeer.

Uitkomst: Minderjarigen voorlopig onder toezicht gesteld, machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Kinderrechter
Rekestnummer: JE RK 14-1992
Zaaknummer: C/09/472523
Datum beschikking: 8 september 2014

Voorlopige ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het op 26 augustus 2014 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (verder: de Raad),
met betrekking tot de minderjarigen:
1.
[minderjarige 1],geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats];
2.
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats];
3.
[minderjarige 3],geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats];
4.
[minderjarige 4],geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats];
kinderen uit het huwelijk van:
[A],
de vader,
en
[B],
de moeder,
beiden wonende te [woonplaats],
die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.
De minderjarigen verblijven feitelijk bij de vader en de moeder.

Procedure

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 2 september 2014 de minderjarigen voorlopig onder toezicht gesteld van 4 september 2014 tot 9 september 2014 en de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden gemachtigd om de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
Het verzoek is voor het overige aangehouden tot de terechtzitting van 8 september 2014.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
- voornoemde beschikking d.d. 2 september 2014 waarvan de inhoud als hier overgenomen dient te worden beschouwd;
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- het verweerschrift van de advocaat van de ouders, mr. M.L. van Leer.
Op 8 september 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank opnieuw met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- mevrouw [X], namens de Raad;
- mevrouw [Y] en mevrouw[Z], namens Bureau Jeugdzorg;
- de advocaat van ouders, mr. M.L. van Leer;
- mevrouw [C], grootmoeder vaderszijde als informant.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen voor de periode van één jaar en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen in een voorziening van crisisopvang.
De grond voor de verzoeken van de Raad is, blijkens de overgelegde stukken, gelegen in het navolgende. Omtrent minderjarige sub 1 is zorgelijke informatie ontvangen over zijn verblijf bij een gezin in Brussel waar hij zou zijn blootgesteld aan fysieke en geestelijke mishandeling. Uit onderzoek door de Belgische politie zou volgen dat de minderjarige ergens voor ‘getraind’ zou worden. Het is onduidelijk welke rol de ouders van de minderjarige hierin hebben gespeeld. Uit informatie van de Nederlandse politie blijkt dat de ouders bekend zijn wegens radicaal islamitische denkbeelden, waarbij vader heeft uitgesproken aanhanger te zijn van de radicaal Islamitische organisatie IS. Inmiddels staat vast dat de ouders en de vier minderjarigen zijn vertrokken naar Marokko. Bureau Jeugdzorg heeft vernomen dat vader vermoedelijk zal doorreizen naar Syrië. Vader is thans op de internationale opsporingslijst geplaatst.
Gelet op het vorenstaande stelt de Raad dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald, nu ouders, nadat hen bekend is geworden dat de Raad een onderzoek zou starten, vertrokken zijn met onbekende bestemming. De Raad acht het van belang dat de minderjarigen zo spoedig mogelijk gesignaleerd komen te staan. Teneinde de minderjarigen veilig te kunnen laten terugkeren naar Nederland dient een gezaghebbende persoon, zoals een gezinsvoogd, aangifte te doen van vermissing, zodat de minderjarigen op de telex gezet kunnen worden. Om deze reden zijn de verzochte kinderbeschermingsmaatregelen noodzakelijk.
Mr. van Leer heeft namens de ouders verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Mr. van Leer deelt mede dat de vader en moeder op de hoogte zijn van de zitting, doch thans in Marokko verblijven en dientengevolge niet in staat zijn de zitting bij te wonen. De raadsvrouw voert het woord overeenkomstig haar pleitnotitie, welke zij aan de kinderrechter overlegt. Samengevat bepleit de raadsvrouw afwijzing van de beide verzoeken van de Raad. Zij stelt hiertoe dat de ouders zeer verbaasd en boos zijn over de onterechte aantijgingen aan hun adres en dat zij zich op grond hiervan niet veilig hebben gevoeld om met de Raad in gesprek te gaan. Zij hebben het idee dat zij bij voorbaat al zijn veroordeeld en dat het doel is de minderjarigen hoe dan ook bij hen weg te halen. De ouders hebben gemeend de minderjarigen hiertegen te moeten beschermen en hebben in paniek de beslissing genomen naar Marokko af te reizen. De ouders willen zich daar echter niet vestigen en zouden graag terugreizen naar Nederland. Zij zijn bereid met de Raad in gesprek te gaan, maar vrezen een onmiddellijke uithuisplaatsing van de minderjarigen wanneer zij in Nederland terugkeren.
Namens de Raad heeft mevrouw [X] aangegeven dat het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing is ingegeven door het plotselinge vertrek van het gezin naar het buitenland, tegen de achtergrond van de informatie die de Raad van de politie heeft verkregen. Nu de ouders hebben aangegeven terug te willen keren met de minderjarigen en voorts bereid zijn mee te werken aan het onderzoek van de Raad, wordt een machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment niet opportuun geacht. Gelet op de situatie acht de Raad het echter noodzakelijk om bij terugkeer van het gezin in Nederland, onmiddellijk het gesprek met de ouders aan te gaan, waarbij tevens een veiligheidsinschatting kan worden gemaakt.
Op grond van de informatie, zoals gebleken uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde bijlagen en uit de verklaringen van de gehoorde personen, komt de kinderrechter tot het oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat de minderjarigen, hangend een nader in te stellen onderzoek naar de vraag of de ondertoezichtstelling geboden is, voorlopig onder toezicht worden gesteld. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat naar aanleiding van recente informatie van de politie veel zorgen zijn gerezen over de veiligheid van de minderjarigen in het gezin. In dit licht is het van belang dat de Raad onderzoek verricht naar de opvoedsituatie van de minderjarigen.
De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor uithuisplaatsing niet, althans onvoldoende aanwezig zijn.
Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat de noodzaak ontbreekt om op dit moment een machtiging tot uithuisplaatsing uit te spreken, nu de ouders hebben aangegeven met de minderjarigen naar Nederland terug te willen reizen en bereid zijn in gesprek te gaan met de Raad.
Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
stelt de minderjarigen van 9 september 2014 tot 4 december 2014 voorlopig onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg;
en
wijst af het verzoek tot machtiging de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de terechtzitting van
24 november 2014 te 10:30 uur;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming tijdig voor voornoemde zitting rapport en advies uit te brengen;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
* de Raad voor de Kinderbescherming;
* de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden;
* de vader;
* de moeder;
* mr. M.L. van Leer, advocaat van de ouders.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Dam, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2014 in tegenwoordigheid van mr. N. Breda als griffier.
Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep worden ingesteld binnen
drie maandenna de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.
.