Eiser, met de Israëlische nationaliteit en vader van een minderjarige zoon, werd door de Amerikaanse autoriteiten gezocht wegens betrokkenheid bij drugshandel en witwassen. Na een toelaatbaarheidsverklaring van de uitleveringsrechter en toestemming van de minister, werd de uitlevering toegestaan. Eiser vordert in kort geding de uitlevering te verbieden, stellende dat de belangen van zijn zoon niet voldoende zijn meegewogen, mede gezien diens posttraumatische stressstoornis.
De rechtbank overweegt dat uitlevering een wettelijk voorziene inbreuk op het recht op gezinsleven en het recht van het kind op contact met de ouder vormt, maar deze inbreuk is gerechtvaardigd door de verdenking tegen eiser. De belangen van de minderjarige zijn niet expliciet door de minister meegewogen, maar eiser heeft deze belangen ook niet ingebracht in de ministeriële procedure. De verklaring van een klinisch psycholoog toont dat de stoornis van het kind mede wordt veroorzaakt door de onzekere verblijfstatus van de moeder, die inmiddels een verblijfstitel heeft.
De rechtbank concludeert dat aan de belangen van de minderjarige voldoende tegemoet is gekomen en dat er geen zwaarwegende omstandigheden zijn die uitlevering verbieden. Het verzoek om aanhouding van de procedure om een bijzonder curator te benoemen wordt afgewezen. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.