Op 7 augustus 2014 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van bedreiging met een vuurwapen en het bezit van een verboden wapen. De rechtbank hield een zitting met gesloten deuren op 24 juli 2014.
De tenlastelegging betrof bedreiging van een aangeefster met een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en het bezit van een pistool van categorie II of III. De officier van justitie vorderde vrijspraak voor het bezit van een echt pistool, maar stelde dat het bezit van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bewezen kon worden verklaard. De verdediging voerde aan dat er geen betrouwbaar bewijs was voor het bezit van een vuurwapen of een gelijkend voorwerp en dat de verklaringen van de aangeefster en getuigen niet betrouwbaar waren.
De rechtbank oordeelde dat wettig en overtuigend bewezen was dat de verdachte de aangeefster bedreigde met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De verklaringen van de aangeefster en meerdere getuigen waren consistent en betrouwbaar. De verdachte werd vrijgesproken van het bezit van een echt vuurwapen omdat dit niet kon worden vastgesteld. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 76 dagen jeugddetentie, gelijk aan de duur van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en zonder reclasseringsbegeleiding vanwege de onwil van de verdachte.
De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en eerdere veroordelingen. De aangeefster ervaart nog steeds stress en angst door de bedreiging. De rechtbank achtte de kans op recidive groot en vond hulpverlening wenselijk, maar niet haalbaar gezien de houding van de verdachte. Tevens werd een eerdere voorwaardelijke jeugddetentie van 14 dagen tenuitvoer gelegd wegens het niet naleven van voorwaarden.