De rechtbank Den Haag behandelde op 3 juli 2014 een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van verkrachting en ontucht met twee minderjarige meisjes. Het primaire ten laste gelegde feit betrof verkrachting van een twaalfjarig meisje (slachtoffer), waarbij verdachte misbruik maakte van zijn overwicht en het feit dat het slachtoffer onder invloed was van alcohol. Daarnaast werd verdachte beschuldigd van ontucht met een ander twaalfjarig meisje (slachtoffer 2).
Tijdens het onderzoek en de zitting werd vastgesteld dat verdachte seks had met het eerste slachtoffer, maar de officier van justitie stelde dat verkrachting niet wettig en overtuigend bewezen kon worden, en vorderde vrijspraak voor dat feit met een bewezenverklaring van ontucht als subsidiaire tenlastelegging. De verdediging voerde aan dat het seksuele contact vrijwillig was en dat verklaringen van het slachtoffer beïnvloed waren door angst en spijt.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was voor verkrachting in de slaapkamer, maar wel overtuigend voor verkrachting in de portiek, gezien het leeftijdsverschil, de dronkenschap van het slachtoffer en het overwicht van verdachte. Verdachte werd vrijgesproken van het ontuchtfeit met slachtoffer 2 vanwege tegenstrijdige getuigenverklaringen en gebrek aan bewijs.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot 270 dagen jeugddetentie, waarvan 92 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en legde bijzondere voorwaarden op voor begeleiding door de jeugdreclassering. De straf hield rekening met de lichte vermindering van toerekeningsvatbaarheid en het situationele karakter van het delict.