ECLI:NL:RBDHA:2014:11885

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 september 2014
Publicatiedatum
29 september 2014
Zaaknummer
C-09-472795
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:264 BWWet op de Geneeskundige BehandelovereenkomstWet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz)
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende toestemming medische behandeling minderjarige in Awbz-instelling

Bureau Jeugdzorg verzocht de kinderrechter om vervangende toestemming te verlenen voor een medische behandeling van een minderjarige die verblijft in een orthopedagogisch behandelcentrum (Awbz-voorziening). De behandeling omvatte onder meer vrijheidsbeperkende maatregelen zoals afzonderen en het afsluiten van de deur van de kamer van de minderjarige. De moeder, die het ouderlijk gezag uitoefent, weigerde toestemming te geven voor deze behandeling.

De kinderrechter heeft onderzocht of de vrijheidsbeperkende maatregelen kunnen worden gekwalificeerd als medische behandeling in de zin van artikel 1:264 BW Pro en of deze noodzakelijk zijn om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige te voorkomen. De rechter concludeerde dat isoleren en het afsluiten van deuren in principe niet onder het begrip medische behandeling vallen, tenzij in uitzonderlijke gevallen voldoende gemotiveerd.

In deze zaak was onvoldoende onderbouwd dat de vrijheidsbeperkende maatregelen als medische behandeling kunnen worden aangemerkt. De moeder stelde dat de maatregelen niet noodzakelijk zijn en dat de minderjarige onterecht aan deze beperkingen wordt blootgesteld. De kinderrechter achtte het verzoek van Bureau Jeugdzorg daarom ongegrond en wees het af.

De uitspraak benadrukt het belang van extra rechtswaarborgen bij vrijheidsbenemende maatregelen en het onderscheid tussen plaatsing in een Awbz-instelling en gesloten jeugdzorg. Voor minderjarigen jonger dan twaalf jaar is de Wet Bopz niet van toepassing, waardoor instemming van de wettelijk vertegenwoordiger vereist is. De weigering van de moeder om in te stemmen met de behandeling leidde niet tot vervangende toestemming door de rechter.

Uitkomst: Het verzoek tot vervangende toestemming voor medische behandeling met vrijheidsbeperkende maatregelen wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Kinderrechter
Rekestnummer: JE RK 14-2021
Zaaknummer: C/09/472795
Datum beschikking: 15 september 2014

Afwijzing vervangende toestemming medische behandeling

Beschikking op het op 29 augustus 2014 ingekomen verzoekschrift van:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Den Haag Zuid/Rijswijk (verder: Bureau Jeugdzorg),
met betrekking tot de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats],
kind van:
[A],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.
Als belanghebbenden in deze procedure worden tevens aangemerkt:
[B],
de biologische vader,
wonende te [woonplaats],
en

[C]

de partner van de moeder,
verblijvende op een bij de rechtbank bekend adres.
De minderjarige verblijft feitelijk bij de moeder.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met bijlagen;
- aanvullende stukken van Bureau Jeugdzorg betreffende de communicatie tussen de moeder en [Z];
- het verweerschrift van mr. S. de Kluiver.
Op 8 september 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld.
Hierbij zijn verschenen:
- de heer [X] en mw. [Y], namens Bureau Jeugdzorg;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. S. de Kluiver.

Feiten

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 8 juli 2014 de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 15 juli 2014 tot 15 juni 2015.
Voorts heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij beschikking van 8 juli 2014 de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd van 15 juli 2014 tot 15 december 2014.

Verzoek

Het verzoek strekt tot het verlenen van vervangende toestemming voor een medische behandeling op grond van artikel 1:264 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
Bureau Jeugdzorg heeft het verzoek al volgt toegelicht. De minderjarige verblijft krachtens een machtiging tot uithuisplaatsing in orthopedagogisch behandelcentrum [Z]. Dit betreft een Awbz-voorziening. De leiding pleegt met de ouders van de daar verblijvende minderjarigen zorgovereenkomsten in het kader van de wet Geneeskundige Behandelovereenkomsten te sluiten. In het onderhavige geval houdt de behandeling van de minderjarige onder meer in dat – zo nodig – maatregelen als afzonderen worden toegepast en dat bij het slapen de deur van zijn kamer op slot gaat. De toestemming voor de medische behandeling, te weten het inzetten van vrijheidsbeperkende middelen en maatregelen, is geweigerd door de moeder van de minderjarige, de ouder met gezag. Dientengevolge verzoekt Bureau Jeugdzorg vervangende toestemming voor genoemde medische behandeling voor de onder haar toezicht staande minderjarige, nu deze medische behandeling noodzakelijk voor hem is, teneinde ernstig gevaar voor zijn gezondheid te voorkomen.

Beoordeling

Mr. De Kluiver heeft namens de moeder verzocht het verzoek af te wijzen. Zij heeft gesteld dat voor het geval een minderjarige onder toezicht is gesteld en de gezaghebbende ouder weigert in te stemmen met diens medische behandeling op grond van artikel 1:264 BW Pro de kinderrechter bij minderjarigen jonger dan twaalf jaar, op verzoek van Bureau Jeugdzorg, vervangende toestemming kan geven indien een medische behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige te voorkomen. De raadsvrouw is in de eerste plaats van mening dat het opsluiten en isoleren van jonge kinderen niet kan worden gevat onder de term ‘medische behandeling’. Daarnaast stelt de raadsvrouw dat geen sprake is van een ter voorkoming van een ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige noodzakelijke medische behandeling. De maatregel ‘isoleren en opsluiten’ wordt niet toegepast omdat de minderjarige gevaar kan toebrengen aan zijn gezondheid, maar omdat het de groepsleiding bij crisissen van nut dient.
De moeder meent dat haar zoon in de Awbz-voorziening ten onrechte aan vrijheidsbeperkende maatregelen wordt blootgesteld. Zij heeft onbetwist aangevoerd dat de minderjarige onder het rode regime valt. Dit betekent dat hij zijn kamer niet zelf van binnenuit uit kan openen. Als hij ’s middags uit school terugkeert, moet hij naar zijn kamer en wordt hij dus feitelijk opgesloten. De moeder meent dat het opsluiten niet nodig is en wijst er in dit verband op dat de minderjarige net de hele zomervakantie bij haar heeft doorgebracht. Nu zij vanwege het opsluiten van haar zoon niet heeft ingestemd met de behandeling mag hij bovendien niet terugkeren naar [Z] en verblijft hij al sinds 10 juli 2014 bij haar thuis.
De kinderechter stelt vast dat de minderjarige in [Z] structureel wordt blootgesteld aan vrijheidsbeperkende maatregelen. De hoofdregel in het civiele jeugdbeschermingsrecht is dat voor minderjarigen die aan vrijheidsbeneming worden blootgesteld een machtiging tot plaatsing in aan accommodatie voor gesloten jeugdzorg wordt aangevraagd. Een dergelijk verzoek wordt vanwege het vrijheidsbenemende karakter ervan voor de minderjarige met extra rechtswaarborgen omkleed. In onderhavige zaak verblijft de minderjarige echter niet in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, maar in een Awbz-instelling. In geval van plaatsing in een Awbz-instelling kan op basis van de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) om een rechterlijke machtiging tot gedwongen opname worden verzocht. Ook zo’n verzoek is met extra rechtswaarborgen omkleed. Deze wet is echter van toepassing op personen van twaalf jaar en ouder, zodat de minderjarige niet onder het bereik van de Wet Bopz valt. Voor minderjarigen onder de leeftijd van twaalf lijkt te gelden dat voor een gesloten behandeling c.q. plaatsing in een Awbz-instelling kan worden volstaan met de instemming van de wettelijk vertegenwoordiger, conform het in de Wet op de Geneeskundige Behandeloverkomst (hierna: WGBO) bepaalde.
Nu de moeder, de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige, haar instemming heeft geweigerd, heeft Bureau Jeugdzorg verzocht om vervangende toestemming voor een medische behandeling zoals bepaald in artikel 1:264 BW Pro.
Bij de beoordeling van het verzoek ziet de kinderrechter zich thans feitelijk gesteld voor twee vragen. De eerste vraag is of het incidenteel overbrengen naar een afgesloten prikkelarme kamer en het ’s avonds en ’s nachts afsluiten van de deur valt onder het begrip medische behandeling. Vervolgens dient dan de vraag worden beantwoord of de medische behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige te voorkomen.
De kinderrechter is van oordeel dat de eerste vraag reeds ontkennend dient te worden beantwoord. Wanneer een minderjarige medisch onderzoek of medische behandeling behoeft, is in beginsel de WGBO van toepassing. Voor de uitleg van het begrip medische behandeling sluit de kinderrechter aan bij de uitleg die in de deze wet wordt gegeven. Dat betekent dat onder handelingen op het gebied van de geneeskunst wordt verstaan “alle verrichtingen, het onderzoeken en geven van raad daaronder begrepen, ertoe strekkende een persoon van een ziekte te genezen, een persoon voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen”.
Vrijheidsbeperkende maatregelen, zoals isoleren en het afsluiten van deuren, vallen naar het oordeel van de kinderrechter in het algemeen niet binnen deze begripsomschrijving en zijn derhalve slechts in uitzonderlijke gevallen aan te merken als medische behandeling in de zin van artikel 1:264 BW Pro. Daarbij overweegt de kinderrechter dat in een zaak als deze er een sterke motiveringsplicht op de verzoeker rust, gelet op het vrijheidsbeperkende karakter van de voornoemde maatregelen en het hiervoor geschetste wettelijk kader. Naar het oordeel van de kinderrechter is in onderhavige zaak evenwel onvoldoende onderbouwd waarom de structureel vrijheidsbenemende beperkingen die aan de minderjarige worden opgelegd als medische behandeling zouden moeten worden aangemerkt.
Nu de kinderrechter van oordeel is dat geen sprake is van een medische behandeling, komt zij aan de beantwoording van de tweede vraag niet toe.
Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
wijst af het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot het verrichten van medische behandeling van voormelde minderjarige.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Dam, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 2014 in tegenwoordigheid van mr. N. Breda als griffier.
Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen
drie maandenna de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.