ECLI:NL:RBDHA:2014:11942
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot onmiddellijke invrijheidsstelling na strafuitzetting uit Roemenië
Een gedetineerde, veroordeeld in Roemenië voor drugshandel, vorderde in kort geding onmiddellijke invrijheidsstelling nadat hij zijn straf in Nederland wilde uitzitten. Hij stelde dat de Nederlandse Staat onrechtmatig handelde door medewerking aan zijn berechting in Roemenië en dat zijn detentie onder erbarmelijke omstandigheden in strijd was met het EVRM.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de Staat niet onrechtmatig had gehandeld. De medewerking aan het Roemeense rechtshulpverzoek was rechtmatig en de strafprocedure in Roemenië voldeed aan het EVRM. De detentieomstandigheden in Roemenië konden niet aan de Staat worden toegerekend. Ook de procedure rond de overbrenging en de advisering door het gerechtshof Arnhem verliep volgens de regels.
De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en tot schadevergoeding werd afgewezen. De gedetineerde werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en op 1 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vordering tot onmiddellijke invrijheidsstelling en schadevergoeding wordt afgewezen omdat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld.