ECLI:NL:RBDHA:2014:12020
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vrijheidsontneming wegens ontbreken concreet zicht op uitzetting naar Somalië
Eiser, van Somalische nationaliteit, werd op 13 september 2014 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank beoordeelde onder meer of er een reëel zicht op uitzetting naar Somalië binnen een redelijke termijn bestond.
De rechtbank constateerde dat sinds december 2013 geen reguliere gedwongen uitzettingen naar Somalië meer hebben plaatsgevonden. Ondanks gesprekken en toezeggingen tussen Nederlandse en Somalische autoriteiten, bleef onduidelijkheid bestaan over medewerking en termijn van uitzetting. Het voorgenomen vervolggesprek met de Somalische minister-president in september 2014 ging niet door.
De rechtbank concludeerde dat het ontbreken van concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn betekent dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de onmiddellijke opheffing van de bewaring bevolen en een schadevergoeding toegekend aan eiser. Tevens werden proceskosten aan eiser toegekend.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat er geen concreet zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en beveelt onmiddellijke opheffing van de bewaring met toekenning van schadevergoeding.