Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
wijsthet verzoek om voorlopige voorziening
af.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, met Marokkaanse nationaliteit, verblijft sinds 1990 rechtmatig in Nederland en bezit sinds 1997 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De staatssecretaris heeft deze vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken en een inreisverbod van tien jaar opgelegd vanwege meerdere ernstige veroordelingen, waaronder moord en geweldsmisdrijven.
Verzoeker betoogt dat het inreisverbod een disproportionele inbreuk vormt op zijn privéleven en strijdig is met artikel 8 EVRM Pro, mede gezien zijn langdurige verblijf en familiebanden in Nederland. De voorzieningenrechter erkent het belang van verzoeker bij het voorkomen van onmiddellijke uitzetting, maar stelt vast dat het algemeen belang bij bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten zwaarder weegt.
De rechter oordeelt dat het inreisverbod gerechtvaardigd is en dat verzoeker geen belang heeft bij beoordeling van de intrekking van de verblijfsvergunning zolang het inreisverbod geldt. Ook wordt geoordeeld dat het bestreden besluit slechts een herstelbare formele fout bevat die geen aanleiding geeft tot voorlopige voorzieningen. Het verzoek wordt daarom afgewezen en verzoeker mag worden uitgezet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en verzoeker mag worden uitgezet.