Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het tussenvonnis van 5 juni 2013;
- de akte na tussenvonnis van de zijde van het COA van 3 juli 2013, met producties (40-53);
- de akte na tussenvonnis van de zijde van [Z] van 3 juli 2013, met producties (I-IX);
- het proces-verbaal van de enquête aan de zijde van het COA en [Z], gehouden op 2, 4 en 5 en 6 september 2013;
- het proces-verbaal van de enquête aan de zijde van het COA en [Z], gehouden op 7 oktober 2013;
- het proces-verbaal van de enquête aan de zijde van het COA en [Z], gehouden op 1 november 2013;
- het proces-verbaal van de contra-enquête aan de zijde van [Z], gehouden op 31 maart 2014;
- de conclusie na enquête van de zijde van het COA, met producties (54-56);
- de conclusie na enquête van de zijde van [Z], met producties (1-7);
- de brief van 20 mei 2013 van de zijde van [Z], met een volledig exemplaar van productie 2 bij conclusie na enquête;
- de conclusie van antwoord na enquête van het COA;
- de antwoordconclusie na enquête van [Z], met producties (8-11).
2.De verdere beoordeling
fake-afspraken in de digitale agenda van [Z] heeft ingepland teneinde privégebruik door [Z] van de dienstauto te maskeren (2.32 en 2.33 van het tussenvonnis). Uit onderzoek is verder gebleken dat er in de agenda van [Z] op bepaalde data (die in het rapport Hoffmann zijn vermeld) afspraken stonden die in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden. De bewijslevering van het COA had mede ten doel, zoals in 4.28 van het tussenvonnis is overwogen, om de juistheid van de door Hoffmann weergegeven verklaringen van [B] en [A] te onderzoeken.