Eiseres, gehuwd met een Belgische EU-burger, verzocht om een visum voor kort verblijf om haar echtgenoot in Luxemburg te bezoeken. De aanvraag werd afgewezen door verweerder op basis van twijfel over het voorgenomen verblijf en het niet noodzakelijk achten van haar begeleiding voor het uitoefenen van het recht op vrij verkeer van haar echtgenoot.
De rechtbank oordeelt dat Richtlijn 2004/38 van toepassing is op gezinsleden van EU-burgers en dat een louter hypothetisch vooruitzicht op het gebruik van het recht op vrij verkeer niet volstaat. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat zij haar echtgenoot zal vergezellen, waardoor zij recht heeft op een versnelde, kosteloze visumaanvraagprocedure.
Verweerder heeft onvoldoende objectieve en subjectieve elementen aangevoerd om misbruik van recht aan te tonen en heeft nagelaten eiseres te horen over de twijfels omtrent het voorgenomen verblijf. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de hoorplicht in acht wordt genomen.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiseres.