De rechtbank Den Haag behandelde op 6 oktober 2014 het verzoek tot verklaring van overlijden van een Nederlandse man die op 14 augustus 2013 in Somalië is overleden. Het verzoek werd ingediend door zijn meerderjarige zoon, die tevens de procedure voerde namens de familie. De man was woonachtig in Nederland en had de Nederlandse nationaliteit.
De rechtbank nam kennis van diverse bewijsstukken, waaronder een originele overlijdensverklaring van een arts uit Somalië, verklaringen van getuigen en instemmingsverklaringen van familieleden. De man was kort voor zijn overlijden vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Somalië gereisd en overleed daar aan de gevolgen van koorts en kortademigheid. Vanwege het ontbreken van een officiële overlijdensakte uit Somalië werd het verzoek tot verklaring van overlijden ingediend.
Na behandeling van het verzoek en het horen van aanwezige familieleden concludeerde de rechtbank dat het overlijden op de opgegeven datum en plaats had plaatsgevonden. Het primaire verzoek tot verklaring van overlijden werd toegewezen, terwijl het subsidiaire verzoek tot het rechtsvermoeden van overlijden en de kostenveroordeling werden afgewezen.