Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[C],
[A],
[D],
[E],
1. De procedure
- de dagvaarding van 4 december 2012 tegen de eerste rolzitting van 30 januari 2013;
- de akte van 30 januari 2013, met de producties 1 t/m 21 van Robein en de beslagstukken;
- de conclusie van antwoord van 10 april 2013, met de producties 1 t/m 12 van gedaagden;
- het tussenvonnis van 24 april 2013, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 17 oktober 2013;
- de conclusie van repliek van 27 november 2013, met producties 22 t/m 30 van Robein;
- de conclusie van dupliek van 19 februari 2014, met productie 13 van gedaagden;
- de rolbeslissing van de rechtbank van 26 maart 2014.
2. De feiten
2. De bedingen in deze algemene voorwaarden zijn niet slechts gemaakt ten behoeve van [A & B], maar ook ten behoeve van alle personen die voor [A & B] werkzaam zijn of zijn geweest alsmede hun erfgenamen, en/of alle personen die bij de uitvoering door [A & B] van enige opdracht zijn ingeschakeld, en/of alle personen voor wier handelen of nalaten [A & B] aansprakelijk zou kunnen zijn.
3. Alle opdrachten worden uitsluitend aanvaard en uitgevoerd door [A & B]. Dat geldt ook indien het de uitdrukkelijke of stilzwijgende bedoeling is dat een opdracht door een bepaalde bij [A & B] werkzame persoon wordt uitgevoerd. De toepasselijkheid van artikel 7:404 BW Pro, dat voor het laatstgenoemde geval een regeling geeft, en van artikel 7:407 lid 2 BW Pro, dat een hoofdelijke aansprakelijkheid vestigt voor de gevallen waarin aan twee of meer personen een opdracht wordt gegeven, wordt uitdrukkelijk uitgesloten.
6. Indien de uitvoering van een opdracht door [A & B] leidt tot aansprakelijkheid, zal die aansprakelijkheid, met inachtneming van het bepaalde in 7, steeds beperkt zijn tot het bedrag dat in het desbetreffende geval uit hoofde van de door [A & B] gesloten beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt uitgekeerd, vermeerderd met het bedrag van het eigen risico dat ingevolge de polisvoorwaarden door [A & B] wordt gedragen.
7. Indien om welke reden dan ook geen uitkering krachtens de in 6 bedoelde verzekering mocht plaatsvinden, is iedere aansprakelijkheid beperkt tot maximaal tweemaal het door [A & B] in de desbetreffende zaak in het desbetreffende jaar in rekening gebrachte bedrag, tot een maximum van € 50.000.
Winding-up Board” van Landsbanki (hierna: de WUB) geïnstalleerd, die werd belast met de verificatie van vorderingen van crediteuren van Landsbanki en de verdeling van de activa van Landsbanki.
1. Vlak voor de Landsbanki-deconfiture heeft de IJslandse overheid de wet veranderd waardoor aan rekeninghouders preferentie wordt toegekend, boven handelscrediteuren, bondholders en Belastingdienst(en). Dat is gunstig voor depositohouders als Robein.
2. Op basis van cijfers van het Resolution Committee van Landsbanki (oud) blijkt dat dan een uitkering te verwachten is van 83% aan deze - naar huidig IJslands recht - preferente crediteuren.
.Deze brief werd voor Robein ontvangen door [C], omdat hij de vordering van Robein bij de Nederlandse bewindvoerders van Icesave had ingediend.
3. De geschillen
dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de volgende veroordeling zal uitspreken:
4. De beoordeling
1.De aansprakelijkheid van [A & B]
5 december 2009over de depositovordering van € 10.000.000.
Handling of Claims against Landsbanki Íslands hfzou hebben aangegeven dat het niet nodig was om IJslandse juristen in te schakelen, geldt dat dit niet juist is. Uit de tekst van de brochure blijkt, zonder nadere toelichting die door gedaagden niet is gegeven, immers niets van een dergelijk advies door de WUB. Daar komt nog bij dat de Nederlandse bewindvoerders in het door hen uitgegeven
Informatiebulletin nr. 5 voor alle schuldeisers van Landsbanki NLvan 29 september 2009 de volgende passage hebben opgenomen:
ter zake kundige juristvan Robein (zie nader de rovv. 2.22. t/m 2.24.), moet naar het oordeel van de rechtbank ook falen. Niet in geschil is immers dat Robein nu juist [A & B] heeft ingeschakeld vanwege haar kennis van het internationale insolventierecht, terwijl de indiening van de depositovordering van Robein bij de WUB wordt beheerst door het IJslands insolventierecht. Dat de betrokken directiesecretaris mr. [directiesecretaris] van Robein zelf over de vereiste specifieke kennis beschikte, is gemotiveerd betwist door Robein en daarna door gedaagden niet nader onderbouwd.
5 december 2009- gelet op de voorgaande rovv. 2.14. en 2.26. neemt de rechtbank aan dat dit een typefout van de advocaat van Robein betreft en dat blijkbaar bedoeld is
5 december 2008- levert naar het oordeel van de rechtbank reeds een beroepsfout op, omdat ook hierdoor Robein nodeloos gedwongen werd tot het raadplegen van IJslandse advocaten en (eventueel) tot het nemen van kostbare rechtsmaatregelen tegen de WUB om alsnog (eventueel) naar IJslands recht ter verificatie in te dienen verstreken depositorente tot 5 december 2008 over haar depositovordering van € 10.000.000 door de WUB erkend te krijgen, ongeacht hoe de hoogste IJslandse rechter daarover in de lopende IJslandse procedure uiteindelijk (eventueel) ook zal oordelen. Ook hier heeft [C] de belangen van Robein ondoordacht en onnodig aan grote risico’s blootgesteld.
in artikel 6van de algemene voorwaarden (zie rov. 2.13.). Naar de rechtbank begrijpt bedoelen gedaagden met dat verweer een beroep te doen op het gehele exoneratiebeding dat in twee gedeelten is neergelegd in de artikelen 6 en 7 van de algemene voorwaarden, nu artikel 6 naar Pro de letter genomen (
met inachtneming van het bepaalde in 7)ook verwijst naar artikel 7 van Pro die algemene voorwaarden. Robein heeft aangevoerd dat het beroep van [A & B] op dat exoneratiebeding van de artikelen 6 en 7 van de algemene voorwaarden onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
2.De aansprakelijkheid van [C]
3.De aansprakelijkheid van [A]
4.De aansprakelijkheid van [E]
This page is for registering interest with Landsbanki Íslands hf.Bovendien heeft de WUB pas nadien, door plaatsing in het Publicatieblad van de Europese Unie op 12 mei 2009, crediteuren opgeroepen om hun vorderingen uiterlijk op 30 oktober 2009 bij de WUB – die op 31 oktober 2008 nog niet in het leven was geroepen (zie rov. 2.15.) – ter verificatie in te dienen. Het betoog van [A & B] dat de vordering al door Robein in IJsland ter verificatie was ingediend, is dus feitelijk onjuist. Om die reden faalt ook het verweer dat Robein uit hoofde van haar eigen
indieningop 31 oktober 2008 op de hoogte was van de risico’s die naar IJslands recht verbonden zijn aan (de niet door een IJslandse advocaat begeleide) indiening van de vordering ter verificatie bij de WUB. Kennis van het IJslandse insolventierecht was gezien de gegevens die destijds op het registratieformulier op de website van Landsbanki moesten worden ingevuld ook niet vereist. Een juiste kwalificatie van de vordering naar IJslands recht werd daarbij ook niet verlangd.
Ik zal ook aan de Winding-up Board vragen dat ze moeten aangeven als onze inschatting onjuist is. Op grond van IJslands recht, krijgt Robein ook bericht als de Winding-up Board een andere mening is toegedaan.Robein had onder die omstandigheden geen aanleiding om te veronderstellen dat het inschakelen van een IJslandse advocaat voorafgaand aan de indiening door [C] nodig was en dat een verkeerde kwalificatie (en/of het niet ter verificatie indienen van verstreken depositorente) verstrekkende gevolgen zou kunnen hebben. Om die reden hoefde Robein geen acht te slaan op het feit dat [C] in zijn correspondentie met Robein enige slagen om de arm heeft gehouden, waar hij schreef
m.i.en
onze inschatting(zie nader rov. 2.23.).
€ 115,17 kosten dagvaarding, € 3.715,- in totaal betaalde griffierechten, € 9.633,- forfaitair salaris advocaat en € 131,- forfaitair nasalaris advocaat, dat is in totaal dus € 13.594,17, nog te vermeerderen met € 68,- forfaitair nasalaris advocaat en met de explootkosten in geval van betekening van dit vonnis, zoals gevorderd uitvoerbaar bij voorraad.