Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Bewijsoverwegingen
bewonersvan het pand betreffen. [11]
bewonersbetroffen. De verklaring van [betrokkene 3] dat verdachte en Hoogendoorn de bewoners waren, vindt steun in de omstandigheden dat de benedenverdieping van het pand er bewoond uitzag (immers er stonden onder meer een tweepersoonsbed en een kinderbedje) en dat in de maanden december 2013 en januari 2014, alsmede op de datum van binnentreden in de woning op 19 februari 2014, diverse malen auto’s voor de deur van het pand stonden die in gebruik zijn bij verdachte en zijn echtgenote. Voorts vindt de verklaring steun in de omstandigheid dat op de dag van het binnentreden in de woning een hond in een ‘bench’ is aangetroffen en verdachte, geconfronteerd met het feit dat in het bewuste pand een hennepkwekerij was aangetroffen, tegenover de politie heeft verklaard dat hij had geprobeerd contact met de politie te leggen omdat hij wilde weten wat er aan de hand was en dat ‘
zijnhond ook weg was’. Daar komt bij dat de huurprijs van het pand van € 1.750,- per maand in verhouding tot het inkomen van [betrokkene 1] (bestaande uit een Wajong-uitkering) zeer hoog is en het volstrekt onaannemelijk is dat zij deze huur zelfstandig kon voldoen. De rechtbank heeft verdachte hier ter zitting nog naar gevraagd, maar verdachte heeft hiervoor geen verklaring gegeven. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dan ook dat verdachte ten minste op regelmatige basis in genoemd pand verbleef. Verdachte en Hoogendoorn hebben vervolgens in het geheel geen verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de omvangrijke hennepkwekerij in het bewuste pand, terwijl dit onder de hiervoor genoemde omstandigheden wel op hun weg had gelegen. Verdachte heeft enkel verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in het pand. De rechtbank acht dit echter, gelet op de aanzienlijke omvang van de kwekerij en de plaatsen waar aan een hennepkwekerij te relateren goederen zijn aangetroffen (onder meer dompelpompen en jerrycans met voedingsstoffen in de badkamer) volstrekt ongeloofwaardig. Nu het dossier voorts geen enkel aanknopingspunt biedt die in de richting wijst van een andere eigenaar van de hennepkwekerij, is de rechtbank van oordeel dat het, gelet op al het voorgaande, niet anders kan zijn dan dat verdachte zich samen met zijn echtgenote heeft bezig gehouden met het telen van hennep in het pand aan de [adres 2] te Schiedam.
in vereniging
nadataangever als eerste heeft geprobeerd [medeverdachte 2] te slaan en vervolgens [verdachte] heeft geslagen. Niet bewezen kan worden dat het geweld wat daarna door [verdachte] en zijn medeverdachten is toegepast jegens aangever, is toegepast als dwangmiddel om geld van aangever te krijgen. Op basis van de door aangever geschetste – door hem als vervelend en in zekere mate zelfs als bedreigend ervaren – voorgeschiedenis met [verdachte], kan de rechtbank zich voorstellen dat aangever reeds de enkele, onaangekondigde confrontatie ’s avonds in de [adres 3] met een hem onbekende man (medeverdachte [medeverdachte 2]) die hem vraagt of hij even wil wachten, als bedreigend heeft ervaren. Eén en ander betreft naar het oordeel van de rechtbank echter een subjectief ervaren bedreiging en uit de gedragingen van [verdachte] en diens medeverdachten op 30 april 2014 kan verder geen
geweldof
bedreiging met geweldals dwangmiddel (teneinde aangever tot afgifte van een geldbedrag te bewegen) worden afgeleid. De omstandigheid dat [verdachte] die avond tegen aangever heeft geroepen dat hij “gewoon moest betalen”, kan niet tot een andere conclusie leiden nu [verdachte] dit zeer waarschijnlijk pas tegen het einde van dan wel na het daadwerkelijke gevecht heeft geroepen.
4.De strafbaarheid van de feiten
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De strafoplegging
7.De vordering van de benadeelde partij
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
183 (HONDERDDRIEËNTACHTIG) dagen;