ECLI:NL:RBDHA:2014:14480
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak
Verzoekster diende een aanvraag in voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, welke door verweerder werd afgewezen. Tegen dit besluit maakte verzoekster bezwaar en vroeg zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, namelijk een verbod op uitzetting tot vier weken na de beslissing op bezwaar.
Verzoekster trok haar verzoek tot voorlopige voorziening in nadat verweerder op 21 augustus 2014 uitstel van vertrek had verleend tot zes weken na haar bevallingsdatum. Verzoekster verzocht vervolgens om proceskostenvergoeding. Verweerder stelde zich op het standpunt dat het uitstel van vertrek los stond van de procedure en dat geen aanleiding bestond voor proceskostenvergoeding.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het uitstel van vertrek gezien moet worden als tegemoetkoming aan het verzoek om voorlopige voorziening. Hierdoor was sprake van intrekking van het verzoek vanwege tegemoetkoming, wat proceskostenvergoeding rechtvaardigt. De griffierechtteruggave werd afgewezen omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 8:82, vierde lid, Awb.
De voorzieningenrechter veroordeelde verweerder tot betaling van € 487 aan proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 487 aan proceskosten na intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening wegens verleend uitstel van vertrek.