ECLI:NL:RBDHA:2014:14722
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking horecavergunning op basis van Bibob-advies
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de exploitatie- en drank- en horecavergunningen van [X] B.V. voor een horecapand te Den Haag. De burgemeester van Den Haag had deze vergunningen ingetrokken op basis van een negatief advies van het Landelijk Bureau Bibob (LBB), dat ernstige gevaren zag dat de vergunningen zouden worden gebruikt om strafbare feiten te plegen of om uit strafbare feiten verkregen voordelen te benutten.
Verzoekster betwistte de onderbouwing van het Bibob-advies, met name de conclusie dat er sprake zou zijn van een zakelijk samenwerkingsverband met een persoon die verboden was leidinggevende activiteiten te verrichten. Zij stelde dat de bewijzen indirect en onvoldoende waren en dat de betrokkenheid van deze persoon niet aannemelijk was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang van verzoekster aanwezig was, maar dat het belang van de gemeente zwaarder woog. De rechter achtte het negatieve Bibob-advies zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd, en vond dat de vermoedens van betrokkenheid bij strafbare feiten aan verzoekster konden worden toegerekend. Er was geen aanleiding om de intrekking van de vergunningen voorlopig te schorsen.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak was geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de vergunningen van [X] B.V. wordt afgewezen.