ECLI:NL:RBDHA:2014:14836
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod
Verzoeker, van Marokkaanse nationaliteit, kreeg zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Hij is tot april 2023 strafrechtelijk gedetineerd en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting tijdens de bezwaarprocedure te voorkomen.
Verzoeker wilde overplaatsing naar een andere penitentiaire inrichting (PI) vanwege het zware verblijf in de huidige PI, die is ingericht op vreemdelingen die na strafuitzetting worden uitgezet. Dit verblijf leidt tot eenzaamheid en psychische klachten, mede door het ontbreken van familiebezoek.
De rechtbank oordeelt dat de overplaatsing verband houdt met de strafrechtelijke tenuitvoerlegging en niet met het bestuursrechtelijke besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning. Verweerder is niet voornemens verzoeker uit te zetten, waardoor geen spoedeisend belang bestaat voor de voorlopige voorziening.
Het verzoek wordt daarom afgewezen. Verzoeker kan zijn argumenten over overplaatsing aanvoeren in een aparte beroepsprocedure tegen de selectiefunctionaris van de Dienst Justitiële Inrichtingen.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.