Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2014 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Op grond van de Mandaatregeling van het ministerie van Veiligheid en Justitie 2011, de Mandaatregeling hoofden clusters ministerie van Veiligheid en Justitie 2012, de Organisatieregeling ministerie van Veiligheid en Justitie 2011, de Mandaatregeling DGVZ ministerie van Veiligheid en Justitie 2013 en de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd Immigratie- en Naturalisatiedienst 2010 zijn medewerkers van de IND bevoegd besluiten te nemen namens het hoofd van de IND, namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Bij besluit van 27 augustus 2010, in werking getreden op 30 september 2010, is de lijst van functionarissen behorende bij het Besluit Ondermandaatverlening hoofd Visadienst ingetrokken en vervangen door de lijst van functionarissen behorende bij de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd Immigratie- en Naturalisatiedienst 2010.
27 augustus 2010 dezelfde IND-medewerkers bevoegd zijn besluiten te nemen zowel namens het hoofd van de Visadienst, namens de minister van Buitenlandse Zaken, als namens het hoofd van de IND, namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. De rechtbank stelt dan ook vast dat de medewerker van de IND die het bestreden besluit heeft genomen bevoegd was om namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te beslissen op mvv-aanvragen. Het besluit is derhalve door een bevoegde medewerker van de IND namens een onbevoegd bestuursorgaan – te weten de minister van Buitenlandse Zaken – genomen, terwijl deze medewerker ook bevoegd was om het besluit te nemen namens het bevoegde bestuursorgaan. Bij het verweerschrift heeft verweerder een brief overgelegd waaruit blijkt dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het bestreden besluit en de overweging waarop dat besluit is gebaseerd voor zijn rekening neemt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres door het bevoegdheidsgebrek niet in haar belangen geschaad. Onder voornoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren.
fair balancete worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds. Bij deze belangenafweging komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.