Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De feiten
2.Het geschil
3.De beoordeling van het geschil
verwachtinguitgesproken dat Argentinië over meer en belangrijker bewijsmateriaal beschikt dat Nederland. Die verwachting was er onder meer op gebaseerd dat de vermeende strafbare feiten zich in Argentinië hebben afgespeeld, zoals ook ter zitting is toegelicht. De stelling van [eiser] – wat daar ook van zij – dat naderhand is gebleken dat Argentinië in het geheel niet over ander bewijsmateriaal beschikt, kan niet tot de conclusie leiden dat de Staat de voorzieningenrechter onjuist heeft voorgelicht. Dat geldt eveneens voor de stelling dat de behandeling van zijn strafzaak veel langer op zich laat wachten dan ten tijde van de behandeling van het kort geding door de Staat werd voorzien. De Staat heeft ook in dat kader immers enkel een verwachting uitgesproken op grond van de indertijd beschikbare informatie. Van een onjuiste presentatie van feiten is dan ook geen sprake geweest. De verwachting van de Staat over de termijn waarbinnen het proces tegen [eiser] zou kunnen plaatsvinden is door de voorzieningenrechter meegewogen in de beoordeling, nu die verwachting niet van de zijde van [eiser] is weersproken. De Staat heeft voorts erkend dat hij in de procedure in kort geding heeft verklaard dat het voorarrest in Argentinië is gemaximaliseerd tot twee jaar met in uitzonderlijke gevallen één jaar verlenging. De Staat heeft ter zitting in deze procedure verklaard dat (de toepassing van) de regelgeving nadien is gewijzigd. Nog daargelaten dat uit het vonnis van de voorzieningenrechter niet blijkt dat de mededeling van de Staat over de maximale duur van een voorlopige hechtenis van belang is geweest om tot het oordeel te komen, is gesteld noch gebleken dat die mededeling op het moment dat ze werd gedaan onjuist was. Daarnaast maakt een mogelijke schending door Argentinië van de mensenrechten niet dat – zoals [eiser] stelt – de Staat het vertrouwensbeginsel verkeerd heeft uitgelegd. Vaststaat immers dat Argentinië zich aan het IVBPR heeft verbonden. Bovendien is het – zoals ook door de voorzieningenrechter in het eerdere kort geding overwogen – de taak geweest van de Spaanse uitleveringsrechter om de gestelde dreigende schending van de rechten van [eiser] te beoordelen. Daarbij komt dat is gesteld noch gebleken dat een eventueel uitleveringsverzoek aan de Spaanse autoriteiten tot het door [eiser] gewenste resultaat zou hebben geleid.