ECLI:NL:RBDHA:2014:16008
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van bewijs voor voorbereidingshandelingen op harddrugsproductie
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van voorbereidingshandelingen met betrekking tot harddrugs, waaronder het bezit en vervoer van grote hoeveelheden versnijdingsmiddelen en materialen die gebruikt kunnen worden bij de productie van cocaïne. De tenlastelegging omvatte onder meer het in bezit hebben van vier vaten benzocaïne en circa 315 kilogram versnijdingsmiddelen in een winkelpand.
Tijdens de zittingen op 20 mei, 29 augustus en 2 december 2014 werd vastgesteld dat hoewel de stoffen en goederen kunnen worden gebruikt bij de bereiding van harddrugs, deze ook legale toepassingen kennen en de handel in deze stoffen in beginsel legaal is. De verdachte en medeverdachten gaven wisselende en tegenstrijdige verklaringen over de bestemming van de stoffen.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs ontbrak om met de vereiste mate van zekerheid vast te stellen dat de stoffen en goederen bestemd waren voor illegale doeleinden. Er werden geen verdovende middelen aangetroffen en er was geen ander bewijs voor een illegale toepassing. Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Verder werd besloten tot teruggave van een groot deel van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte, terwijl andere voorwerpen werden bewaard ten behoeve van mogelijke rechthebbenden.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde feit.