Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser],
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
Ten aanzien van het beroep toegangsweigering
- minstens 7 uren - op het districtskantoor van de Kmar te Rotterdam Airport heeft verbleven in een ruimte die was beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek. Dit verblijf berust niet op een besluit tot aanwijzing van die plaats als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, Vw. De rechtbank volgt eiser daarom in het standpunt dat aan deze vrijheidsontneming geen wettelijke titel ten grondslag heeft gelegen. Verweerder kan niet worden gevolgd in het standpunt dat de op 9 december 2014 te Hoek van Holland genomen beschikking tot aanwijzing van het JCS als plaats, als titel kan gelden, nu dit feitelijk niet de plaats is geweest waar de vrijheidsontneming op 9 december 2014 vanaf ongeveer 18.00 uur tot 10 december 2014 om ongeveer 04.00 uur heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de vrijheidsontneming op het districtskantoor van de Kmar te Rotterdam Airport had een aparte beschikking op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw genomen kunnen en moeten worden. Voor zover er van moet worden uitgegaan dat ook voor het vervoer tussen Rotterdam Airport en het JCS een aparte plaatsaanwijzing nodig was - tijdens het vervoer is immers ook sprake geweest van vrijheidsontneming - oordeelt de rechtbank dat deze in dit geval evenzeer ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat de vrijheidsontneming in dit geval van aanvang af tot aan heden onrechtmatig is geweest, zodat de maatregel moet worden opgeheven en eiser in aanmerking komt voor schadevergoeding. Hierbij is van belang dat de vrijheidsontneming die heeft plaatsgevonden in het JCS - waarvoor wel een titel voorhanden was - niet mogelijk is geweest zonder de daaraan voorafgegane onrechtmatige vrijheidsontneming te Rotterdam Airport en tijdens het vervoer van Rotterdam naar Schiphol.