ECLI:NL:RBDHA:2014:16426
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M.H. Rijken-Lie
- H.M.H. de Koning
- M. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag afgeleid verblijfsrecht op grond van Richtlijn 2004/38 en VWEU artikel 21
Eiser, een Afghaanse derdelander, was gehuwd met een Nederlandse EU-burger die zich in januari 2010 definitief vanuit Oostenrijk naar Nederland heeft gevestigd. Eiser diende op 1 februari 2011 een aanvraag in voor een document dat zijn rechtmatig verblijf als familielid van een EU-burger moest aantonen op grond van Richtlijn 2004/38/EG.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiser ten tijde van de aanvraag geen afgeleid verblijfsrecht meer had, aangezien de EU-burger het gastland Oostenrijk al in januari 2010 had verlaten. Eiser voerde aan dat hij zich analoog op artikel 7, tweede lid, van de richtlijn kon beroepen en dat zijn verblijf noodzakelijk was voor de effectieve uitoefening van het recht van vrij verkeer van zijn echtgenote.
De rechtbank oordeelde dat het HvJEU-arrest O. en B. duidelijk maakt dat het afgeleid verblijfsrecht alleen bestaat tijdens het daadwerkelijke verblijf van de EU-burger in het gastland. Omdat de EU-burger het gastland had verlaten vóór de aanvraag, was het verblijfsrecht van eiser vervallen. Het beroep werd ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen schending van de hoorplicht en het beroep op het arrest Ruiz Zambrano en artikel 8 EVRM Pro was door eiser laten vallen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een afgeleid verblijfsrecht wordt ongegrond verklaard.