ECLI:NL:RBDHA:2014:16529

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2014
Publicatiedatum
21 januari 2015
Zaaknummer
C-09-476548 - KG ZA 14-1316
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 557 SvArt. 6:162 BWArt. 70 Wet personenvervoer 2000Art. 101 Wet personenvervoer 2000
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering tot opheffing tenuitvoerlegging hechtenis wegens openstaand hoger beroep

Eiser is meermalen veroordeeld voor overtreding van de Wet personenvervoer 2000 en bevindt zich sinds oktober 2014 in detentie ter uitvoering van onherroepelijke vonnissen. Tegen deze vonnissen is hoger beroep ingesteld, waar nog niet op is beslist.

Eiser vordert primair opheffing van de detentie en subsidiair schorsing van de tenuitvoerlegging, stellende dat zijn verdedigingsrecht is geschonden en de detentie disproportioneel is. De Staat voert verweer en betoogt dat eiser niet-ontvankelijk is omdat een rechtsgang met voldoende waarborgen openstaat bij de voorzieningenrechter voor strafzaken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat met de voorzieningenrechter bedoeld in artikel 557 lid 3 Sv Pro de voorzitter van de strafkamer wordt bedoeld, niet de voorzieningenrechter in kort geding. Omdat deze rechtsgang openstaat, is er geen plaats voor een voorziening in kort geding. Daarom wordt eiser niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot opheffing van de tenuitvoerlegging van hechtenis.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/476548 / KG ZA 14/1316
Vonnis in kort geding van 28 november 2014
in de zaak van
[eiser],
thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting [plaatsnaam] te [plaatsnaam],
eiser,
advocaat mr. E.D. van Tellingen te Almere,
tegen:
de publiekrechtelijke rechtspersoon,
DE STAAT DER NEDERLANDEN (het Ministerie van Veiligheid en Justitie),
zetelende te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. W.M. Limborgh te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 november 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
1.1.
In 2013 en 2014 is [eiser] meermalen veroordeeld ter zake van overtreding van het bepaalde in artikel 70, eerste lid, juncto artikel 101 van Pro de Wet personenvervoer 2000; bij vonnis van 19 november 2013 tot twee geldboetes van € 130,-- subsidiair twee dagen hechtenis, bij vonnis van 3 maart 2014 tot drie weken hechtenis, bij vonnis van 10 maart 2014 tot vier weken hechtenis, bij vonnis van 7 april 2014 tot drie weken hechtenis en ten slotte bij vonnis van 14 april 2014 tot drie weken hechtenis (hierna: ‘de vonnissen’).
1.2.
De vonnissen zijn als onherroepelijk geregistreerd. Sinds 14 oktober 2014 bevindt [eiser] zich ter tenuitvoerlegging van de vonnissen in detentie. De datum van invrijheidstelling is 4 februari 2015.
1.3.
Op 31 oktober 2014 heeft [eiser] tegen de vonnissen hoger beroep ingesteld. Hierop is nog niet beslist.

2.Het geschil

2.1.
Primair vordert [eiser], zakelijk weergegeven, de Staat te gebieden de detentie met onmiddellijke ingang op te heffen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Subsidiair vordert [eiser] – naar de voorzieningenrechter begrijpt – te bepalen dat de detentie
met onmiddellijke ingang wordt geschorst totdat is beslist op het tegen de vonnissen ingestelde hoger beroep, dan wel (meer subsidiair) tot tien dagen nadat de vriendin van [eiser] is bevallen, dan wel (meest subsidiair) onder door de voorzieningenrechter te bepalen voorwaarden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.
2.2.
Daartoe voert [eiser] aan dat de tenuitvoerlegging van de vonnissen onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid. [eiser] stelt in dit verband dat hij in de strafzaken die tot de vonnissen hebben geleid niet deugdelijk ter terechtzitting is opgeroepen, waardoor is tekort gedaan aan zijn verdedigingsrecht, en voorts dat de vonnissen aan hem niet zijn uitgereikt, waardoor hem de mogelijkheid is ontnomen tijdig hoger beroep in te stellen. Verder voert [eiser] aan dat hij niet had mogen worden vervolgd en veroordeeld, omdat niet is gebleken dat is voldaan aan de daarvoor bij en krachtens de Wet Personenvervoer 2000 gestelde voorwaarden. Voorts staat de (omvang van de) opgelegde detentie naar de mening van [eiser] niet in verhouding tot de ernst van de overtredingen. Ten slotte voert [eiser] aan dat zijn vriendin zijn hulp en bijstand nodig heeft bij de verzorging van hun beider kind en de aanstaande bevalling van het kind van wie zij thans in verwachting is.
2.3.
De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3.De beoordeling van het geschil

3.1.
Nu [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt, is de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – bevoegd tot kennisneming daarvan.
3.2.
Partijen verschillen allereerst van mening over het antwoord op de vraag of [eiser] ontvankelijk is in zijn vorderingen. De vraag die daartoe beantwoord dient te worden is of er een rechtsgang openstaat of open heeft gestaan die met voldoende waarborgen is omkleed. Als dit het geval is, is voor de beoordeling door de burgerlijke rechter geen plaats meer.
3.3.
De Staat voert aan dat [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat voor hem op grond van artikel 557, derde lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat bij de voorzieningenrechter voor strafzaken. [eiser] heeft hiertegen verweer gevoerd en stelt zich op het standpunt dat deze bepaling aan zijn ontvankelijkheid niet in de weg staat.
3.4.
Vaststaat dat [eiser] hoger beroep heeft ingesteld tegen de vonnissen en dat daar tot op heden nog niet op is beslist. Naar het oordeel van het openbaar ministerie heeft hij dit rechtsmiddel na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn aangewend, zodat de vonnissen op grond van artikel 557, derde lid, onder 2 Sv in beginsel ten uitvoer kunnen worden gelegd. Op grond van eveneens dit artikel kan [eiser] in afwachting van het hoger beroep de voorzieningenrechter van de rechtbank verzoeken om te bepalen dat het appel tijdig is ingesteld en het openbaar ministerie niet tot tenuitvoerlegging mag overgaan. Uit de jurisprudentie (waaronder van deze rechtbank) kan worden afgeleid dat met de voorzieningenrechter in artikel 557, derde lid, onder 2 Sv wordt bedoeld de voorzitter van de strafkamer en niet de voorzieningenrechter in kort geding. Dat het hier bedoelde verzoek door
de voorzieningenrechter voor strafzaken niet even snel kan worden behandeld als door de voorzieningenrechter in kort geding is gesteld noch gebleken. Voor [eiser] staat aldus een andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open. Derhalve is er geen plaats voor een voorziening in kort geding.
3.5.
Gelet op het voorgaande zal [eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen komt de voorzieningenrechter derhalve niet toe.
3.6.
[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht;
- verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2014.
MvE