Uitspraak
WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG
1.de vennootschap onder firma [verzoeker 1],
[verzoeker 2],
[verzoeker 3],
[verzoeker 4],
[verzoeker 5],
[belanghebbende],
Rechtbank Den Haag
In deze civiele procedure dienden verzoekers een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter wegens vermeende partijdigheid. De aanleiding was een uitspraak van de kantonrechter tijdens een comparitie waarbij verzoeker werd weggezet als meer dan een broodjeszaak, het zoekraken van een akte in het dossier en vermoedens van een persoonlijke relatie tussen kantonrechter en belanghebbende.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek voor zover het betrekking had op de comparitie van bijna een half jaar eerder niet tijdig was ingediend en daarom niet-ontvankelijk was. Daarnaast werd overwogen dat het zoekraken van de akte en de wijze waarop de kantonrechter de partijen verzocht deze opnieuw in te brengen, geen schijn van partijdigheid opleverde.
De kamer benadrukte het uitgangspunt dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden dat tegenspreken. De wrakingskamer concludeerde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.
Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en het proces in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is afgewezen en voor zover het betrekking had op de comparitie van 29 oktober 2013 niet-ontvankelijk verklaard.