Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het op 7 maart 2014 ingekomen verzoekschrift,
- de brieven van de IND van 22 april 2014 en 19 augustus 2014,
- de brief van de officier van justitie van 22 september 2014.
Rechtbank Den Haag
Verzoekster verzocht de rechtbank vast te stellen dat zij sinds haar geboorte in 1988 de Nederlandse nationaliteit bezit, omdat haar moeder volgens haar destijds Nederlands was. De moeder van verzoekster was geboren met de Nederlandse nationaliteit, maar verkreeg in 1986 door naturalisatie de Amerikaanse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van verzoekster was de moeder volgens het toen geldende recht niet meer Nederlander.
De rechtbank oordeelde dat artikel 15 lid 1 RWN Pro destijds bepaalde dat het Nederlanderschap verloren gaat door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit, en dat de latere wetswijziging in 2003 geen terugwerkende kracht heeft. De afgifte van een Nederlands paspoort in 1992 aan de moeder impliceert niet het behoud van het Nederlanderschap.
Verzoekster voerde subsidiere argumenten aan, waaronder ongerechtvaardigd onderscheid en beroep op internationale verdragen zoals IVRK en EVRM, maar deze werden door de rechtbank verworpen. De rechtbank verwees naar jurisprudentie dat het EVRM geen recht op een bepaalde nationaliteit verleent.
Daarom concludeerde de rechtbank dat verzoekster niet sinds haar geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster sinds haar geboorte wordt afgewezen.