ECLI:NL:RBDHA:2014:16695

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2014
Publicatiedatum
11 februari 2015
Zaaknummer
C/09/477586 / KG RK 14-2233
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 39, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening tegen kantonrechter

Verzoeker, gedaagde in een civiele procedure over onbetaalde waterleveringsfacturen, diende op 17 november 2014 een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter die op 16 september 2014 de comparitie had geleid. Verzoeker stelde dat de kantonrechter partijdig en onjuist had gehandeld tijdens de comparitie, onder meer door hem als een crimineel te behandelen en onvoldoende spreektijd te geven.

De kantonrechter betwistte deze aantijgingen en voerde aan dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend, aangezien de feiten en omstandigheden die het verzoek onderbouwen reeds op de datum van de comparitie bekend waren. De wrakingskamer bevestigde dat het verzoek te laat was ingediend, aangezien artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vereist dat een wrakingsverzoek wordt gedaan zodra de feiten bekend zijn.

Omdat verzoeker geen verschoonbare termijnoverschrijding aannemelijk maakte, werd hij niet-ontvankelijk verklaard. De wrakingskamer zag daarom geen aanleiding om inhoudelijk op het wrakingsverzoek in te gaan en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die stond op het moment van het verzoek. De beslissing werd op 11 december 2014 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2014/66
zaak-/rekestnummer: C/09/477586 / KG RK 14-2233
zaaknummer: 3114020 RL EXPL 14-16866
datum beschikking: 11 december 2014 (bij vervroeging)
BESLISSING
op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
(gedaagde in de hoofdzaak),
tegen
de naamloze vennootschap PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland,
gevestigd te Velserbroek,
gemachtigde: [gemachtigde],
(eiseres in de hoofdzaak),
strekkende tot wraking van:
F.A.M. Veraart,
kantonrechter in de rechtbank Den Haag.
Partijen worden hierna aangeduid met ‘verzoeker’, ‘PWN’ en ‘de kantonrechter’.

1.De voorgeschiedenis en het procesverloop

Verzoeker is gedaagde in een zaak waarin PWN betaling vordert van verzoeker wegens onbetaald gebleven facturen ter zake van waterleverantie. Op 16 september 2014 vond in die zaak een comparitie van partijen plaats ten overstaan van de kantonrechter. Het onderhavige wrakingsverzoek van verzoeker is op 17 november 2014 bij de rechtbank ingekomen. De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het door de kantonrechter en de griffier opgestelde en ondertekende proces-verbaal d.d. 19 november 2014 van voornoemde comparitie. Op 21 november 2014 heeft de wrakingskamer een schriftelijke reactie van de kantonrechter op het wrakingsverzoek ontvangen.

2.De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 1 december 2014 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. De kantonrechter heeft bij haar schriftelijke reactie aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen. Verzoeker en PWN zijn evenmin verschenen. Op 1 december 2014 is er een faxbericht ingekomen waarin verzoeker reageert op het schriftelijke standpunt van de kantonrechter en aangeeft dat hij in verband met zijn werk niet ter zitting zal verschijnen.

3.Het standpunt van verzoeker

Aan het wrakingsverzoek is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.
Verzoeker meent dat de kantonrechter partijdig heeft gehandeld tijdens de comparitie op 16 september 2014. Ook is sprake geweest van ongepast gedrag van haar zijde. De kantonrechter keek verzoeker aan alsof hij een crimineel was en heeft hem ook als zodanig behandeld. In reactie op een antwoord van PWN was de kantonrechter volgens verzoeker ‘superzacht’ tegen PWN en hard tegen verzoeker. Daarnaast heeft de kantonrechter verzoeker onvoldoende tijd gegeven om zijn standpunt toe te lichten en heeft zij hem herhaaldelijk niet de gelegenheid gegeven om te spreken toen hij de beweringen van PWN wilde betwisten. De kantonrechter is evenmin ingegaan op de standpunten van verzoeker en heeft van PWN geen reactie/antwoord gevraagd. Voorts heeft de kantonrechter haar persoonlijke mening gegeven door te zeggen: ‘Ik vind het niet gek dat u gedagvaard bent’. Ook is de kantonrechter naar verzoeker uitgevallen toen hij tegen haar zei: ‘noteert u maar’. Daarnaast is PWN na afloop van de comparitie, terwijl verzoeker zich al buiten de zaal bevond, in de zaal gebleven en heeft gedurende ongeveer vier minuten met de kantonrechter gesproken. De kantonrechter heeft ten slotte nagelaten om eerst de ontvankelijkheid van de zaak te beoordelen alvorens te beslissen dat de comparitie door zou gaan. Op grond van bovengenoemde omstandigheden vreest verzoeker dat zijn zaak door deze kantonrechter partijdig en in zijn nadeel zal worden beoordeeld en stelt hij zich op het standpunt dat deze door een andere rechter moet worden behandeld.

4.Het standpunt van de kantonrechter

De kantonrechter berust niet in de wraking. Zij stelt in haar reactie dat verzoeker haar niet tijdig heeft gewraakt naar aanleiding van haar optreden ter comparitie van 16 september 2014. Hoewel de feiten en omstandigheden die aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag liggen verzoeker reeds op die zitting bekend zijn geworden, is het verzoek niet tijdens of onmiddellijk na die comparitie gedaan, maar eerst op 17 november 2014.
De kantonrechter heeft voorts betwist dat er van haar zijde sprake is geweest van ‘superzachtheid’ jegens PWN, dan wel het als een crimineel behandelen van verzoeker. De kantonrechter heeft verzoeker evenmin verboden om beweringen te betwisten of hem te weinig tijd gegeven om zijn standpunt toe te lichten. Ten slotte heeft de kantonrechter betwist dat zij in de zaak van verzoeker bevooroordeeld was, dan wel dat zij met PWN heeft nagepraat na afloop van de comparitie. De kantonrechter erkent dat de opdracht van verzoeker een bepaalde stelling te noteren, haar ‘in het verkeerde keelgat’ is geschoten maar geeft aan dat verzoeker ter zitting duidelijk maakte dat het niet zo was bedoeld waarmee het incident wat de kantonrechter betreft was afgesloten.

5.Ontvankelijkheid

5.1
Krachtens artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt een wrakingsverzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
5.2
In het onderhavige geval is het wrakingsverzoek gedaan op 17 november 2014. Dit is naar het oordeel van de wrakingskamer te laat, nu de feiten en omstandigheden waarop verzoeker zij verzoek baseert zich hebben voorgedaan op 16 september 2014. Verzoeker was dus op 16 september 2014 bekend met die feiten en omstandigheden. Daarnaast leidt de wrakingskamer uit de stellingen van verzoeker af dat hij kennelijk al direct na afloop van de comparitie het indienen van een wrakingsverzoek heeft overwogen. Het had derhalve op zijn weg gelegen om dit kort na de zitting ook daadwerkelijk te doen. Het feit dat hij dit niet heeft gedaan en het indienen van het verzoek bijna twee maanden heeft uitgesteld zonder een steekhoudende toelichting waarom hij zo lang heeft gewacht, komt voor rekening en risico van verzoeker. Hieraan doet niet af dat het verzoek is gedaan vóór de einduitspraak. De wettelijke mogelijkheid om een wrakingsverzoek te doen tot aan de einduitspraak is gegeven omdat zich ook tussen de zitting en de uitspraak feiten of omstandigheden kunnen voordoen die aanleiding kunnen zijn voor het indienen van een wrakingsverzoek. Ook in dat geval moet het verzoek overigens worden gedaan zodra deze feiten of omstandigheden bekend zijn.
5.3
Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek tot wraking niet tijdig is ingediend. Nu er evenmin een (geslaagd) beroep is gedaan op een verschoonbare termijnoverschrijding, zal verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek. De wrakingskamer komt derhalve niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot wraking.

6.De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker [verzoeker];
• de eiseres in de hoofdzaak;
• de kantonrechter mr. F.A.M. Veraart.
Deze beslissing is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, T.F. Hesselink en J.Th. van Walderveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Noorlander als griffier en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.