ECLI:NL:RBDHA:2014:16954

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2014
Publicatiedatum
12 juni 2015
Zaaknummer
AWB 14 / 5323 en AWB 14 / 5325
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Dublinverordening IIIArt. 3 Dublinverordening IIIArt. 16 Verordening 343/2003Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering bij ernstige psychiatrische ziekte

Eiser, een Armeense asielzoeker met een ernstige psychiatrische ziekte en meerdere zelfmoordpogingen, diende op 25 februari 2014 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder wees deze af omdat Duitsland verantwoordelijk was voor de asielaanvraag, gebaseerd op de Dublinverordening II, terwijl de juiste toepasselijke regeling Dublinverordening III was. Dit werd echter als een niet-relevant gebrek gepasseerd.

Eiser stelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met zijn ernstige psychische toestand en de angst om aan Duitsland te worden overgedragen. De rechter oordeelde dat verweerder onder deze bijzondere omstandigheden de bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van Dublinverordening III had moeten motiveren om de aanvraag in Nederland te behandelen.

De rechter vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.461 aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering bij het niet toepassen van artikel 17 Dublinverordening III en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 14 / 5323 en AWB 14 / 5325
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2014 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.J. ten Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (AWB 14 / 5323). Voorts heeft eiser de voorzieningenrechter (de rechter) verzocht een voorlopige voorziening te treffen
(AWB 14 / 5325).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2014, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is ter zitting verschenen [tolk].

Overwegingen

1.
Na afloop van de zitting is de rechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De rechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
2.
Eiser, volgens zijn verklaring geboren op 2 juni 1983 en van Armeense nationaliteit, heeft op 25 februari 2014 de hiervoor genoemde aanvraag ingediend.
3.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Uit onderzoek in het zogenoemde Eurodac-systeem is gebleken dat eiser in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op basis hiervan heeft verweerder de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 16, eerste lid en onder c, van Verordening 343/2003 (Dublinverordening II).
De Duitse autoriteiten hebben hiermee op 16 december 2013 ingestemd.
4.
Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hij heeft allereerst aangevoerd dat het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op Dublinverordening II in plaats van III en dus geen juiste rechtsgrondslag heeft.
5.
De rechter overweegt hierover dat eiser er terecht op heeft gewezen dat Verordening 604/2013 (Dublinverordening III) inmiddels in werking is getreden. Ingevolge artikel 49 van Pro Dublinverordening III is deze verordening van toepassing op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend vanaf 1 januari 2014 en op elk verzoek tot overname of terugname, ongeacht de datum waarop het verzoek is ingediend. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat voor 1 januari 2014 is ingediend wordt bepaald volgens de criteria vastgesteld in Dublinverordening II. In dit geval is het asielverzoek ingediend op 25 februari 2014, en dus na 1 januari 2014. Dat betekent dat Dublinverordening III in deze procedure van toepassing is. Verweerder heeft dus een onjuist toetsingskader toegepast. De rechter zal hieraan echter geen consequenties verbinden, omdat het toetsingskader voor wat de in deze zaak aan de orde zijnde aspecten betreft niet in relevante mate is gewijzigd. Gelet op het voorgaande passeert de rechter dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
6.
Eiser heeft verder kort samengevat aangevoerd dat verweerder bij het nemen van het besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn zeer slechte psychische gezondheidssituatie. Verweerder had gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag onverplicht aan zich te houden of had op zijn minst bij het afwijzen van de asielaanvraag duidelijke reisvoorwaarden moeten formuleren.
7.
Blijkens artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening III, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. De rechter vat het beroep van eiser zo op dat hij primair het standpunt inneemt dat verweerder gebruik had moeten maken van de mogelijkheid die dit artikel biedt om de aanvraag inhoudelijk te behandelen.
8.
Niet in geschil is dat eiser lijdt aan een ernstige psychiatrische ziekte, waarvoor hij in het verleden ook is opgenomen en behandeld is. Ondanks de ernst van zijn gezondheidstoestand wordt eiser thans niet behandeld en krijgt hij (voor zover bekend) geen medicatie. Verder is onbestreden dat eiser in het verleden verschillende zelfmoordpogingen heeft ondernomen. Zelfs in de week voorafgaand aan de zitting heeft eiser twee keer geprobeerd een einde aan zijn leven te maken. Dit ondanks dat hij eerder bij Medifirst had aangegeven dat hij geen suïcidale gedachten meer had. Uit het dossier blijkt verder, hetgeen eveneens onbestreden is gebleven, dat eiser zich (als gevolg van zijn ziektebeeld) in Nederland relatief veilig voelt en dat hij in angst leeft om aan Duitsland te worden overgedragen. Onder deze zeer bijzondere omstandigheden had verweerder naar het oordeel van de rechter deugdelijker en zorgvuldiger moeten motiveren waarom geen gebruik wordt gemaakt van de in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening III gegeven bevoegdheid om ondanks de verantwoordelijkheid van Duitsland, het asielverzoek van eiser in Nederland te behandelen.
9.
Het beroep is reeds daarom gegrond en de rechter zal het bestreden besluit vernietigen. De rechter ziet, gelet op de aard van het gebrek, geen aanleiding of mogelijkheid voor een finale beslechting van het geschil door de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of door het toepassen van een bestuurlijke lus.
10.
Nu het beroep gegrond is, bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
11.
De rechter veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461,= (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,= en een wegingsfactor 1). Nu geen toevoeging is overgelegd, dient dit bedrag aan eiser te worden betaald.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het gestelde in de uitspraak;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461,=, te betalen aan eiser;
-
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A. Akkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
27 maart 2014.
w.g. M.M.A. Akkers,
griffier
w.g. C.M. Nollen,
rechter
Voor eensluidend afschrift:
de griffier,
Afschrift verzonden aan partijen op: 27 maart 2014
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarmee is beslist op het beroep binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor zover bij deze uitspraak is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening staat daartegen geen rechtsmiddel open.